ECLI:NL:PHR:2008:BD0457
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet-vervolging ministers en Kamerleden ambtsmisdrijven Fortuyn
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord. Aansluitend werd een verdachte veroordeeld voor moord. Naar aanleiding van publieke discussie over veiligheidsmaatregelen werd een commissie ingesteld die onderzoek deed naar de beveiliging van Fortuyn.
In oktober 2006 deden de Nieuwe Toekomst Partij en enkele klagers aangifte tegen toenmalige ministers, staatssecretarissen, leden van de Tweede Kamer en functionarissen van inlichtingen- en politiediensten wegens dood door schuld door het niet treffen van veiligheidsmaatregelen. Na afwijzing door het Openbaar Ministerie dienden zij beklag in tegen de niet-vervolging.
Het hof verklaarde de Nieuwe Toekomst Partij en twee klagers niet-ontvankelijk wegens gebrek aan rechtstreeks belang en verwees het beklag betreffende ministers en staatssecretarissen door naar de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat vervolging van ambtsmisdrijven door ministers en Kamerleden uitsluitend kan worden bevolen door de Kroon of Tweede Kamer, en dat geen last tot vervolging was gegeven. Daarom is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Ook voor leden van de Tweede Kamer geldt deze exclusieve bevoegdheid. Het verzoek tot vervolging betrof ambtsmisdrijven, waardoor de Hoge Raad niet bevoegd is tot vervolging. Het beklag wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beklag tegen niet-vervolging van ministers en leden van de Tweede Kamer wegens ambtsmisdrijven wordt niet-ontvankelijk verklaard.