ECLI:NL:HR:2004:AP1367
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat voorlopige aanslag niet mag prevaleren boven definitieve aangifte bij vaststelling verzekeringsplicht zelfstandigen
De zaak betreft een geschil over de juiste grondslag voor de vaststelling van de verzekeringsplicht van een zelfstandige voor het jaar 2001 op grond van artikel 3d van de Ziekenfondswet (Zfw). De Inspecteur baseerde de beschikking op de voorlopige aanslag van 15 september 2000, waarin een belastbaar inkomen van ƒ 35.000 was opgenomen. Belanghebbende had echter op 13 september 2000 een aangifte ingediend met een belastbaar inkomen van ƒ 56.390, wat hoger lag dan de inkomensgrens voor verzekeringsplicht.
Het Gerechtshof 's-Gravenhage oordeelde dat de Inspecteur de beschikking had moeten baseren op de definitieve aangifte, omdat deze op de peildatum 1 oktober 2000 al bekend was. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever met artikel 3d Zfw beoogde dat de peildatum 1 oktober bepalend is en dat, indien op die datum het definitieve inkomen nog niet vaststaat, het laatst bekende inkomen wordt genomen. Echter, als op die datum nadere gegevens bekend zijn, zoals een definitieve aangifte, moeten deze worden meegenomen.
De Hoge Raad stelde vast dat het inkomen uit de aangifte op 1 oktober 2000 bekend was en dat de beschikking daarom onjuist was gebaseerd op de voorlopige aanslag. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de kosten van het geding werden aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de Inspecteur wordt vernietigd.