ECLI:NL:HR:2004:AP1431
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verrekening omzetbelasting na verbreking fiscale eenheid
In deze zaak stond centraal de vraag of de ontvanger op grond van artikel 24 lid Pro 2, tweede volzin, van de Invorderingswet 1990 bevoegd is tot verrekening van een teruggaaf omzetbelasting aan eiseres met een belastingschuld van een voormalige fiscale eenheid, nadat deze fiscale eenheid is verbroken.
Eiseres, die deel uitmaakte van een fiscale eenheid met onder andere [A] B.V., vorderde dat de verrekening onrechtmatig was omdat de fiscale eenheid ten tijde van de verrekening niet meer bestond. De rechtbank wees deze vordering af. De Hoge Raad bevestigde dat verrekening ook na verbreking van de fiscale eenheid mogelijk is, mits de teruggaaf en de schuld beide hun materiële grondslag vinden in een tijdvak waarin de fiscale eenheid nog bestond.
De Hoge Raad motiveerde dat deze uitleg strookt met het doel van de wetgever om misbruik van de fiscale eenheid te voorkomen, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Tevens werd geoordeeld dat het griffierecht ten onrechte was vastgesteld op basis van het totale belang, en moest worden berekend naar het werkelijke belang van de vordering. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd, maar uitsluitend ten aanzien van de proceskosten, en de zaak werd opnieuw beoordeeld voor dat onderdeel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verrekening van omzetbelasting na verbreking van de fiscale eenheid is toegestaan mits materiële grondslag in de periode van de fiscale eenheid ligt.