Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Onder 4 bespreek ik drie verschillende kwesties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Dit betreft (i) de vaststelling van het bestaan van overeenkomst tot sprongcassatie, (ii) de mogelijkheid om in het onderhavige geval cassatie in te stellen tegen een mede-eiser en (iii) de eisen die moeten worden gesteld aan een procesinleiding in cassatie in een WAMCA-zaak. Deze bespreking leidt niet tot de conclusie dat het beroep niet ontvankelijk zou zijn.
onderdeel 1betoogt, de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking. Anders dan
onderdeel2 betoogt, kan het oordeel van de rechtbank dat, ondanks de verschillen in gedaagde partijen, achterban en grondslagen van de vorderingen, sprake is dezelfde gebeurtenis en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv, de cassatietoets doorstaan.
Onderdeel 3klaagt naar mijn mening terecht dat de rechtbank CCC niet kon veroordelen in de proceskosten van ASC en RCJ.
2.Feiten
native apps) of door derden. Op de Apple-apparaten wordt standaard een aantal native apps geïnstalleerd. Waar hierna over apps of iOS-apps wordt gesproken, worden uitsluitend de door derden ontwikkelde apps bedoeld. Die derden worden ontwikkelaars genoemd. Voor deze ontwikkelaars biedt de App Store de (enige) mogelijkheid om hun iOS-apps aan te bieden aan gebruikers. Daartoe sluiten zij een overeenkomst (Developer Program Licence Agreement of DPLA) met Apple Inc. De ontwikkelaar van een app is een jaarlijkse fee van USD 99,00 verschuldigd voor deelname aan Apple’s Developer Program.
Statement of Objectionsvan de EC, waarop Apple kan reageren.
3.Procesverloop
De collectieve vorderingen van de stichtingen
4.Kwesties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
In dit opzicht bestaan relevante verschillen met het geval dat cassatieberoep wordt ingesteld tegen een tussenuitspraak en beoordeeld moet worden of de rechter daarvoor op de voet van art. 337 lid 2 of Pro 401a lid 2 Rv toestemming heeft gegeven. Deze toestemming dient met het oog op de aan een tussentijds beroep verbonden termijn te blijken uit een uitspraak van de rechter. [22] Deze uitspraak moet worden overgelegd, [23] onder meer opdat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in een aantal opzichten gecontroleerd kan worden.
onderdeel 3daarover klaagt. [35]
[v]an art. 1018c lid 1 Rv op voorhand duidelijk dat het niet past bij de procedure in hoger beroep. Een appeldagvaarding is doorgaans een ‘kale’ dagvaarding, omdat de grieven op een later moment volgen. Dit zal onder de WAMCA niet anders (hoeven) te zijn.” En hoewel de auteurs aanbevelen om de appeldagvaarding (maar niet de memorie van grieven) in te schrijven in het centraal register voor collectieve acties, menen zij dat
“[e]venmin (…) in hoger beroep een grond [bestaat] voor toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid als vermeld in art. 1018c lid 2 Rv in geval van (niet tijdig) aantekenen van de appeldagvaarding in het centraal register. Deze sanctie is immers ingegeven door het feit dat de aanhoudingstermijn gaat lopen zodra de eerste dagvaarding in het register is aangetekend, opdat andere belangenorganisaties ook een dagvaarding kunnen uitbrengen.” [43]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de rov. 2.4, 5.18-5.22 en 5.24 dat CCC niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep, omdat een termijnverlenging als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft.
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 5.15, 5.17 en 5.24 en stelt aan de orde het oordeel dat CCC een collectieve vordering heeft ingesteld voor de dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 BW.
Onderdeel 3richt klachten tegen de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in rov. 10.2 en 10.3.
onderdeel 2ook rov. 5.15 aan, maar de klachten van het onderdeel zien in de kern op de beoordeling van art. 1018d lid 1 Rv in rov. 5.17 (zie hierna in 5.43).
voetnoot 7 van de procesinleidingis onbegrijpelijk de overweging in rov. 5.6 dat bij rolbeslissing van 24 november 2021 de in art. 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden is verlengd met drie maanden
tot4 april. Volgens CCC is kennelijk bedoeld
tot en met4 april.
Voor zover hierin een cassatieklacht moet worden gelezen, moet deze bij gebrek aan belang worden verworpen. CCC heeft haar dagvaarding op 31 maart 2022 uitgebracht. De bedoelde overweging is dus niet relevant voor de vraag of CCC haar dagvaarding tijdig heeft uitgebracht.
.Art. 3:305a BW bevat de algemene ontvankelijkheidseisen voor het instellen van een collectieve vordering en ziet op de inrichting van de belangenorganisatie. Titel 14A beschrijft de inrichting van de procedure voor een collectieve actie en de daarin opgenomen eisen verlangen van de belangenorganisatie dat hij aantoont dat het instellen van een collectie schadevergoedingsactie effectiever en efficiënter is dan het voeren van een individuele procedure. [56]
Subonderdeel 1.1is inleidend en bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2klaagt dat de rechtbank miskent dat een op de voet van art. 1018d lid 2 Rv door de rechter verleende verlenging van de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv, naar aanleiding van een aantekening van een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a BW dat zij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) als waarop de collectieve vordering in de zin van 1018c lid 1 Rv betrekking heeft, maar de driemaandentermijn niet volstaat, tot gevolg heeft dat iedere 305a-rechtspersoon binnen die door de rechter verleende (verlengde) termijn een dergelijke collectieve vordering kan instellen. Daarvoor is geen apart verzoek van laatstbedoelde art. 305a-rechtspersoon vereist. De door de rechter vastgestelde termijn geldt dus niet enkel jegens de 305a-rechtspersoon die de aantekening heeft laten maken/om verlenging heeft verzocht en op basis waarvan de rechtbank de termijn heeft verlengd, maar voor alle 305a-rechtspersonen die eenzelfde collectieve vordering willen instellen. De verlenging heeft – kort gezegd – algemene werking, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 1.3klaagt dat de rechtbank miskent dat in geval de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv door de rechter op de voet van art. 1018d lid 2 Rv met de maximale termijn van drie maanden is verlengd en/of door het instellen van de collectieve vordering door een andere 305a-rechtspersoon binnen die verlengde termijn geen vertraging wordt veroorzaakt, die verlenging wel geldt jegens alle 305a-rechtspersonen die een vordering willen instellen over dezelfde gebeurtenis(sen) over gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen als waarop de collectieve vordering betrekking heeft.
Subonderdeel 1.4bevat op de
subonderdelen 1.2 en 1.3voortbouwende motiveringsklachten.
In CCC’s lezing van de wet vereist activering van de verlengingsbevoegdheid slechts dat een andere belangenorganisatie tijdig heeft gemeld dat de driemaandentermijn te kort is. Een verzoek daartoe is volgens CCC niet nodig en de rechter kan volgens CCC de termijn ook ambtshalve verlengen. Bij de beoordeling richt de rechter zich op objectieve factoren, zoals de complexiteit van de materie, het internationale karakter van het geschil of de omvang van het procesdossier.
mag worden aangenomen dat er in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijnheeft verzocht” (onderstreping toegevoegd; plv.). De melding dat de termijn van art. 1018d lid 1 Rv niet volstaat, impliceert dus een verzoek om deze termijn te verlengen. In rechterlijke uitspraken en literatuur wordt de melding dan ook aangeduid als een verzoek. [74] Dit activeert de bevoegdheid van de rechter tot termijnverlenging. De rechter gaat niet ambtshalve [75] of ongevraagd tot termijnverlenging over.
“[v]oorwaarde voor verlenging is dat een belangenorganisatie al wel heeft gemeld dat hij een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis wil instellen, maar dat de termijn van drie maandenvoor hemniet volstaat” (onderstreping toegevoegd; plv.). Ook hierin ligt besloten dat het moet gaan om een verzoek van een andere belangenorganisatie, en wel om een gemotiveerd verzoek waarin wordt uiteengezet waarom de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv voor deze belangenorganisatie (“hem”) niet volstaat. [76]
voor hemniet volstaat. Daarvoor moet worden beoordeeld wat factoren als complexiteit e.d. betekenen voor de mogelijkheid van de verzoekende belangenorganisatie om al dan niet binnen drie maanden te dagvaarden. [78]
Heeft zich binnen een maand na aantekening weleen belangenorganisatiegemeld met de mededeling dat de termijn van drie maanden niet volstaat, dan is na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk welke anderebelangenorganisatiesvoor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld.” [onderstrepingen toegevoegd; plv.]
“[d]e termijn van drie maanden in lid 1 is gekozen om geïnteresseerde andere belangenorganisaties in staat te stellen om hun eigen collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis voor te bereiden en in te dienen” en aansluitend wordt gewezen op de mogelijkheid van verlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv.
Uit de passage waarop CCC zich beroept blijkt daarom slechts dat, indien verlenging is gevraagd, na uiterlijk zes maanden duidelijk is welke andere belangenorganisaties ook een collectieve vordering hebben ingesteld. Dit ziet zowel op één of meer belangenorganisatie(s) die binnen de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv hebben gedagvaard als op één of meer belangenorganisatie(s) die termijnverlenging tot maximaal zes maanden hebben gevraagd en verkregen. Er is geen reden om aan te nemen dat de bedoelde passage in de memorie van toelichting uitsluitend betrekking zou hebben op partijen die na meer dan drie maanden hebben gedagvaard, ongeacht of zij zelf om verlenging hebben gevraagd. Ik zie in deze passage dan ook geen aanwijzing van een algemeen karakter van een termijnverlenging.
in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht.”
de aard van de collectieve vordering of vanwege het samenwerkingsverband dat organisaties willen aangaan om een gezamenlijke collectieve vordering in te dienen”.
Uit de geciteerde passage blijkt voorts dat aan een verzoek om termijnverlenging ten grondslag kan liggen de wens om een samenwerkingsverband aan te gaan. Er kunnen ook andere gronden voor een dergelijk verzoek zijn. Art. 1018d lid 2 Rv laat dit open. [82] Volgens De Monchy en Kluwen is het inmiddels een standaardoverweging in rolbeslissingen over termijnverlenging dat de WAMCA geen maatstaf bevat om dit verzoek te toetsen en dat de memorie van toelichting over deze bepaling beknopt is. [83] De toelichting geeft voorbeelden. [84] Er zijn vele redenen denkbaar waarom de termijn van drie maanden voor een belangenorganisatie niet volstaat. [85] Denkbaar is dat die redenen specifiek voor één belangenorganisatie gelden. [86] Het lijkt voorts niet bezwaarlijk dat belangenorganisaties die overwegen samen te gaan werken ieder voor zich dan wel gezamenlijk om termijnverlenging verzoeken.
opt outverklaring. [87]
opt outverklaring, individuele procedures te entameren. Een niet algemeen werkende termijnverlenging is daarop niet van invloed.
Dat een termijnverlenging voor de inbreng van derden in een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad op grond van art. 3.3.8.1 Procesreglement van de Hoge Raad algemene werking zou hebben, zoals CCC nog aanvoert in haar schriftelijke repliek nr. 10, brengt niet mee dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking zou hebben.
Heeft (a) de afwijzing van een verzoek algemene werking, zodat andere verzoeken niet meer gedaan kunnen worden? Belemmert (b) de algemene werking van een termijnverlening van twee maanden [100] dat een andere belangenorganisatie nog een verlenging van drie maanden kan verzoeken? Hebben (c) beslissingen waarbij aan de ene partij een verlenging van twee maanden is gegund en aan een andere partij een verlenging van drie maanden is gegund beide algemene werking en, zo ja, waarop kunnen derden dan afgaan? Hetzelfde kan worden gevraagd indien het verzoek van de ene partij is toegewezen [101] en het verzoek van een andere partij is afgewezen.
CCC betoogt alleen dat een termijnverlenging algemene werking heeft. Haar betoog roept bij mij echter ook de onder (a) –(c) bedoelde vragen op. Daaraan is in theorie misschien wel een mouw te passen, maar het punt is dat de wet en de toelichting in alle talen zwijgen over dergelijke complicaties die inherent zijn aan de door CCC gestelde algemene werking van een termijnverlenging. Ook dit wijst erop dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft.
onderdeel 1. [102] Subonderdeel 1.2faalt op de grond dat de termijnverlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv geldt voor een belangenorganisatie die om verlenging heeft verzocht en aan wie deze verlenging door de rechter is verleend. De verlenging heeft geen ‘algemene werking’ ten aanzien van ook belangenorganisaties die zelf niet om verlenging hebben gevraagd. De
subonderdelen 1.3 en 1.4falen in het verlengde hiervan.
Subonderdeel 1.1is inleidend en bevat geen klacht. De klachten richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat de verschillen in gedaagden (
subonderdelen 2.2-2.5) en in achterban (
subonderdelen 2.6-2.7) van onvoldoende betekenis zijn.
Subonderdeel 2.8bevat uitsluitend een voortbouwklacht.
dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissenals waarop de collectieve vordering van RCJ betrekking heeft,
over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen(art. 1018d lid 1 Rv). Ik lees in het onderdeel, mede gezien de daarop gegeven toelichting, [104] slechts klachten die zijn gericht tegen rov. 5.17 (en dus ook tegen de conclusie in rov. 5.24), maar geen klachten die specifiek tegen rov. 5.15 zijn gericht.
voldoendebetrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het
de voorkeurheeft deze als één zaak af te wikkelen” (cursiveringen toegevoegd; plv).
Met ‘de voorkeur’ wordt, zo begrijp ik, verwezen naar de doelstellingen van de WAMCA. De vraag is dan of behandeling van verschillende collectieve vorderingen in één zaak een efficiënte en effectieve afwikkeling ervan bevordert (vgl. hiervoor in 5.6 en 5.9.3).
De opmerking dat de collectieve vorderingen ‘voldoende’ betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, heeft kennelijk niet de strekking afstand te nemen van de tekst van art. 1018d lid 1 Rv, waarin het woord ‘voldoende’ niet voorkomt. Maar zij maakt wel de bedoelding duidelijk dat art. 1018d lid 1 Rv een meer flexibele maatstaf bevat.
subonderdelen 2.6 en 2.7over het belang van het verschil in achterban.
subonderdeel 2.6aanvoert, heeft de rechtbank dit niet miskend dat het om een relevante omstandigheid gaat. De rechtbank gaat in rov. 5.17 uitdrukkelijk op deze omstandigheid in. Het subonderdeel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dit geldt ook voor de motiveringsklacht van
subonderdeel 2.7voor zover ook deze klacht veronderstelt dat de rechtbank een verschil in achterban niet relevant acht.
Het subonderdeel wijst, behoudens het door de rechtbank verdisconteerde verschil in achterban, niet op stellingen die CCC in feitelijke instantie heeft aangevoerd waarop de rechtbank nader had moeten ingaan.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is (en het oordeel geeft overigens ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting).
onafhankelijkvan de collectieve vordering van RCJ namens de Europese Consumenten een collectieve vordering jegens Apple c.s. bij de Nederlandse rechter zou kunnen instellen. De rechtbank dient immers te toetsen aan art. 1018d lid 1 Rv. Indien die toets meebrengt dat het gaat om, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen, dan moet CCC binnen de termijnen van art. 1018d Rv dagvaarden om aan te haken bij de collectieve actie van RCJ. Indien de toets aan art. 1018d lid 1 Rv uitwijst dat het niet gaat om dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen, dan staat het CCC vrij om onafhankelijk van de collectieve vordering van RCJ namens de Europese Consumenten een collectieve vordering jegens Apple c.s. bij de Nederlandse rechter in te stellen.
subonderdelen 2.2-2.5over het belang van het verschil in gedaagden.
Subonderdeel 2.3klaagt, samengevat, dat de rechtbank miskent dat indien (mede) andere rechtspersonen zijn gedagvaard, de ontvankelijkheid ten aanzien van de vorderingen jegens die rechtspersonen niet bepaald wordt door de regeling van art. 1018d Rv, maar als uitgangspunt in zoverre als de als eerste uitgebrachte dagvaarding kwalificeert.
Dit betoog brengt niet mee dat de opvatting van het onderdeel moet worden gevolgd. Het staat een andere belangenorganisatie uiteraard vrij om, indien zij van mening is dat daarvoor goede argumenten bestaan, ook andere partijen te dagvaarden dan de partijen waartegen de collectieve actie van de eerste belangenorganisatie is gericht. Maar de andere belangenorganisatie moet dit wel doen binnen de termijnen van art. 1018d Rv als het gaat om, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen.
subonderdelen 2.2 en 2.3berusten dus op een onjuiste rechtsopvatting en dienen te falen. Op deze rechtsopvatting bouwen voort de motiveringsklachten van
subonderdeel 2.4(over het verschil in gedaagde partijen) en
subonderdeel 2.5(over de mogelijkheid dat niet alle gedaagde partijen veroordeeld zullen worden dan wel verhaal zullen bieden). Deze subonderdelen moeten dus ook falen.
subonderdeel 2.8. De slotsom is dat
onderdeel 2niet slaagt.
Subonderdeel 3.1is inleidend en bevat geen klacht.
Volgens
subonderdeel 3.2miskent de rechtbank dat een procespartij (op de voet van art. 237 Rv Pro) slechts kan worden veroordeeld in de kosten van haar wederpartij – dat wil in casu zeggen: Apple c.s. en niet haar mede-eisers RCJ en ASC. Titel 14A kent voor een kostenvergoeding wegens niet-ontvankelijkverklaring van een der partijen evenmin een eigen regeling die grond biedt voor de veroordeling van een partij in de kosten van een mede-eiseres (of medegedaagde). De rechtbank heeft dat miskend voor zover zij van het bestaan van een dergelijke regeling is uitgegaan. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat ASC en RCJ in deze procedure als wederpartij van CCC kwalificeren, is dat oordeel volgens
subonderdeel 3.3onjuist. De 305a-rechtspersonen die eenzelfde collectieve vordering in de zin van titel 14A Rv hebben ingesteld kwalificeren immers niet als wederpartijen van elkaar, maar als elkaars mede-eisers (vgl. art. 1018e lid 3 Rv).
subonderdelen 3.2 en 3.3betogen dat CCC alleen kon worden veroordeeld in de kosten van verweerders Apple c.s., maar niet in de kosten van haar mede-eisers RCJ en ASC. Dit stelt de vraag aan de orde hoe enerzijds RCJ respectievelijk ASC en anderzijds CCC zich in processueel opzicht tot elkaar verhouden.
gezamenlijk behandeld [116] als een zaak, dat wil zeggen als één zaak (art. 1018d lid 3 Rv). In overeenstemming hiermee is het vonnis van de rechtbank gewezen in ‘de zaak’ van RCJ tegen Apple Ierland en Apple Inc., en RCJ tegen Apple Ierland en Apple Inc., en CCC tegen Apple c.s. In cassatie zijn (naar mijn mening terecht) [117] geen klachten gericht tegen de overweging van de rechtbank dat uit de WAMCA volgt dat sprake is van één zaak waarin drie stichtingen vorderingen hebben ingesteld. [118]
subonderdelen 3.2 en 3.3slagen. Nu CCC, RCJ en ASC mede-eisers zijn in de in art. 1018d lid 3 Rv bedoelde zaak, brengt art. 237 Rv Pro mee dat CCC in het vonnis waarbij CCC niet-ontvankelijk is verklaard niet in haar verhouding tot RCJ en ASC kan gelden als de in het ongelijk gestelde partij.
subonderdelen 3.2 en 3.3slagen.
onderdelen 1 en 2van het middel falen. Daarmee blijft het oordeel van de rechtbank dat CCC niet ontvankelijk is overeind en is de collectieve vordering van CCC tegen Apple c.s. van de baan.
onderdeel 3over de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC slaagt. De Hoge Raad kan ermee volstaan het in cassatie bestreden vonnis te vernietigen uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in het dictum onder 10.2 en 10.3. [139] Het is in dit geval niet nodig dat de Hoge Raad zelf in de zaak voorziet door de proceskostenveroordeling uit te spreken die de rechtbank had dienen uit te spreken. Bij vernietiging als hiervoor bedoeld blijft de veroordeling door de rechtbank van CCC in de proceskosten van Apple c.s. in stand. Voor het overige bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in eerste aanleg.