ECLI:NL:HR:2004:AP1668
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onrechtmatigheid en bevoegdheid dierenartsassistenten bij entingen na wijziging regelgeving
NVDC c.s. vorderden dat de Staat onrechtmatig handelde door het Wijzigingsbesluit van 25 maart 1994, dat dierenartsassistenten verbood entingen met bepaalde diergeneesmiddelen uit te voeren, in te trekken en schadevergoeding te betalen. De rechtbank en het hof wezen deze vorderingen af. De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid van dierenartsassistenten om entingen te verrichten beperkt is door de kanalisatieregeling in de Diergeneesmiddelenwet, die voorschrijft dat bepaalde diergeneesmiddelen uitsluitend door dierenartsen mogen worden toegepast.
De Hoge Raad oordeelt dat de invoering van het Wijzigingsbesluit niet onrechtmatig is jegens NVDC c.s. omdat zij er rekening mee hadden moeten houden dat hun bevoegdheid beperkt zou worden. De vergelijking met een eerdere zaak uit 1991 wordt verworpen vanwege wezenlijke verschillen in omstandigheden. Tevens wordt geoordeeld dat het niet toekennen van financiële compensatie niet onrechtmatig is.
De Hoge Raad wijst ook de overige middelen van NVDC c.s. af en bevestigt het oordeel van het hof dat het examen tot dierenartsassistent niet de toepassing van de betreffende diergeneesmiddelen omvat en dat het Wijzigingsbesluit niet voorzienbaar was, maar dat het risico hiervan voor rekening van NVDC c.s. komt. Het arrest is uitgesproken op 15 oktober 2004.
Uitkomst: Het cassatieberoep van NVDC c.s. wordt verworpen en het Wijzigingsbesluit blijft van kracht zonder compensatie.