ECLI:NL:HR:2004:AP1896
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking heffingsrecht Nederland op fictieve rente in belastingverdrag Nederland-België
Belanghebbende, inwoner van België, had voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd gekregen over een fictieve rentevordering op zijn Nederlandse BV. De Inspecteur had rente van 5% forfaitair bijgeteld op de vordering, belast tegen 10% volgens het belastingverdrag Nederland-België.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat fictieve rente niet als 'betaald' in de zin van het verdrag kan worden gezien en dat Nederland deze rente niet mag heffen, waardoor de aanslag werd verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat het belastingverdrag Nederland-België Nederland slechts een beperkt heffingsrecht toekent over daadwerkelijk betaalde rente en dat fictieve rente niet onder dit heffingsrecht valt. Nationale wetgeving mag het verdrag niet eenzijdig wijzigen door fictieve inkomsten toe te wijzen aan Nederland.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde hem in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat fictieve rente niet belast mag worden in Nederland volgens het verdrag, en dat de aanslag terecht is verminderd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de aanslagvermindering bevestigd.