Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
trading income.
Bank of Ireland.
BNB2007/141 volgt dat zulks ‘boven langs’ loopt: via de gemene Zuid-Afrikaanse uiteindelijke moeder, die vergelijkbaar is met de uiteindelijk gerechtigde natuurlijke persoon in HR
BNB2007/141. Weliswaar gaat het in casu niet om een te hoge, maar om een te lage onzakelijke intragroepsprijs, en om Nederland als woonstaat in plaats van bronstaat, maar dat maakt principieel niet uit. De gemene uiteindelijke moeder heeft toegestaan of bewerkstelligd dat vermogen van [A] is verplaatst naar [E] , hetgeen fiscaalrechtelijk ontleed moet worden als een voordeel dat [A] zich heeft laten ontgaan door het verkapt uit te delen aan de belanghebbende, die het verkapt heeft dooruitgedeeld aan de Zuid-Afrikaanse moeder, die het vervolgens via [C] en [D] als kapitaal heeft doen uitzakken naar [E] . In de termen van HR
BNB2007/141 gaat het dus om “een reële, zij het vermomde, dividenduitkering”. Van fictief inkomen is geen sprake, zodat de inkomenskarakteriseringsvragen die in de fictief-inkomenarresten aan de orde kwamen, in casu geen rol spelen.
dividends) van het belastingverdrag met Ierland. Het gaat naar nationaal recht om (verkapt) dividend, en blijkens onderdeel 39 van het Commentaar op art. 10 van Pro het 1963-OESO-Modelverdrag – dat van grote betekenis is omdat art. 8 van Pro het toepasselijke verdrag conform art. 10 van Pro het 1963 OESO-Modelverdrag luidt – omvat ook het dividendbegrip in art. 8 mede Pro
disguised distributions. Twijfel kan rijzen door het gebruik van de term ‘paid’ in art. 8 verdrag Pro/art. 10 Model Pro, nu de verkapte uitdeling er immers juist in bestaat dat [E]
nietheeft betaald aan [A] , maar ook het 1963-OESO-Commentaar gebruikt reeds de term ‘payments’ óók voor ‘disguised distributions’, en uit HR
BNB2007/141 volgt dat niet ter zake doet dat de ‘payment’ van het verkapte dividend (de vermogensverschuiving) niet rechtstreeks zichtbaar is tussen [A] en de belanghebbende, maar alleen tussen [A] en [E] , zoals in HR BNB 2007/141 de ‘payment’ alleen zichtbaar was tussen zusters en niet tussen de belanghebbende en haar Belgische aandeelhouder.
niet-uitgekeerde winst van [E] of [A] belast (tegen de toepassing op anterieure verdragen waarvan Ierland bezwaar heeft, blijkens zijn
observationsbij latere versies van het OESO-Commentaar waarin gesteld wordt dat het OESO-Model zich nooit verzet zou hebben tegen CFC-wetgeving), maar om
arm’s lengthwinstbepaling bij de belanghebbende ter zake van wel degelijk – maar verkapt – aan haar uitgekeerde winst. Dat Ierland als een van de zeer weinige OESO-landen tot voor kort zelf geen
arm’s lengthcorrecties toepaste, lijkt mij niet relevant. Aan die Ierse eigenaardigheid hoeven de Nederlandse wetgever en belastingheffer zich niet aan te passen, ook niet als dat tot dubbele belastingheffing zou leiden.
reformatio in peiusniet in de weg staat aan interne compensatie als het totale bedrag van de aanslag c.q. de bestreden verliesbeschikking maar niet hoger wordt. Belanghebbendes verlies was vastgesteld op nihil. Ook het Hof heeft het verlies op nihil berekend. De belanghebbende is dus ter zake van de verliesvaststellingsbeschikking niet slechter af.
2.De feiten en het geding in en na eerste cassatie
De feiten
belanghebbendeswinst is van de renteloosheid van [A] ’s vorderingen op [E] en op de belanghebbende. De renteloosheid van [A] ’s vordering op de belanghebbende bevoordeelt de belanghebbende, zodat volgens het Hof bij haar de ontvangst van een verkapte winstuitdeling door [A] in aanmerking moet worden genomen ad $ 1.871.020 (met toepassing van deelnemings-verrekening). Ook de niet bedongen rente ad $ 3.166.504 (€ 2.153.205) op [A] ’s vordering op [E] (beide Ierse vennootschappen) houdt volgens het Hof een bevoordeling van de belanghebbende in, nl. door de gezamenlijke band van [E] en de belanghebbende met de Zuid‑Afrikaanse ((over)groot)moeder [B] Ltd, die heeft toegestaan dat [E] naliet rente te betalen aan [A] . Daardoor - zo begrijp ik de feitenrechters - moet [A] geacht worden de niet van [E] ontvangen rente te hebben uitgedeeld aan de belanghebbende. De belanghebbende verweert zich daartegen met de stelling dat Nederland onbevoegdelijk extraterritoriaal heft, nu de lening tussen [A] en [E] zich geheel afspeelt in Ierland, waar Nederland geen jurisdictie heeft, c.q. nu het belastingverdrag tussen Nederland en Ierland zich verzet tegen Nederlandse heffing over dergelijk feitelijk niet bestaand dividend. Het Hof heeft op dit punt echter het oordeel van de Rechtbank tot het zijne gemaakt (de belanghebbende wordt aangeduid als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder”):
3.Het geding in tweede cassatie
Britse pond(onderstreping belanghebbende) en de dollar in aftrek komen (r.o. 2.10).”
welin aftrek komt en de bedoelde imputatierente
nietbijgeteld wordt, is voldaan aan de redelijke heffingstoets, zodat de belanghebbende wel degelijk belang bij haar stelling heeft, zodat die inhoudelijk behandeld had moeten worden. De Staatssecretaris werpt tegen dat de belanghebbende uitgaat van een verkeerde berekening. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof als volgt gerekend:
BNB2007/141. [17] Nu het echter om twee in Ierland gevestigde vennootschappen gaat, zou zulks in casu een verboden extraterritoriale heffing inhouden. Ik begrijp de belanghebbende aldus dat zij beoogt dat de verkapte dividenduitkering moet worden gekwalificeerd onder de toewijzingsregels van het belastingverdrag en dat niet de dividendbepaling van toepassing is (omdat fictief dividend geen dividend ex art. 8(7) van het Verdrag is), maar het winstartikel. Het heffingsrecht komt dan aan Ierland toe.
verweerbetoogt de Staatssecretaris dat verkapte winstuitdelingen en kapitaal-stortingen beoordeeld worden in de relatie tussen moeder- en dochtervennootschap en dat de litigieuze Nederlandse heffing geen Ierse winst van [A] belast, maar een verkapt dividend van [A] aan belanghebbende. Hij benadrukt dat het officiële commentaar op het OESO-modelbelastingverdrag heffing over ‘deemed dividend’ toestaat.
4.Verdragstoepassing ter zake van deemed dividend
Éire(1969; in werking 1970) luiden:
Éirekomt overeen met art. 10(1) OESO-modelverdrag 1963, dat als volgt luidde:
Éirekomt overeen met het OESO-modelverdrag 1963, waarvan art. 10(3) als volgt luidde:
BNB1992/379 (zie 4.5.1 hieronder) is alsdan het officiële OESO-Commentaar bij het 1963-Modelverdrag van groot interpretatief belang. De term ‘paid’ in art. 10 (dividends) van het OESO-Model 1963 wordt niet toegelicht in het 1963-Commentaar; de term ‘dividends’ wel:
Improper use of the Convention’ dat CFC-wetgeving, hoewel die leidt tot belastingheffing bij een binnenlandse moedervennootschap over winsten van niet-onderworpen buitenlandse dochtervennootschappen, verenigbaar zou zijn met OESO-gemodelleerde verdragen: [25]
observationbij dit Commentaar laten vastleggen:
observation:
observation, inclusief zijn verwijzing naar zijn
observationbij onderdeel 27.5 van het Commentaar bij artikel 1, is ongewijzigd verplaatst naar onderdeel 68 van het commentaar op artikel 7. Onderdeel 27.5 bij artikel 1 is Pro echter verdwenen. Ik neem aan dat dit een omissie is.
BNB2017/34 [26] bevatte een weergave van uw rechtspraak over verkapte
treaty overridesdoor verdragsposterieure eenzijdige nationale inkomens(her)kwalificaties. Zij hield onder meer in:
BNB1992/379 [27] overwoog u over de interpretatieve betekenis van het officiële commentaar bij het tijdens de verdragsonderhandelingen vigerende OESO-Modelbelastingverdrag:
BNB2003/379 (…) en HR
BNB2003/381, [28] alsmede in een arrest van tien jaar later, HR
BNB2013/72. [29] (…); in de andere arresten was in geschil of de loonfictie ex art. 12a Wet LB doorwerkt naar art. 15 (loon) c.q. 16 (directeursbeloningen) van het belastingverdrag met België in die zin dat Nederland heffingsbevoegd was ter zake van fictief loon dat geacht werd genoten te zijn door een inwoner van België. HR
BNB2003/379 en HR
BNB2003/381 betroffen het oude belastingverdrag (1970) met België; HR
BNB2013/72 het nieuwe (2001).
BNB2003/379 [30] (HR
BNB2003/381 was vergelijkbaar) betrof een Nederlandse vennootschap met een in België wonende directeur/grootaandeelhouder (dga). Omdat ter zake van diens in Nederland verrichte werkzaamheden voor de vennootschap geen beloning was toegekend, nam de inspecteur ex art. 12a Wet LB een fictief loon in aanmerking ad ƒ 150.000. In geschil was of het belastingverdrag met België 1970 in de weg stond aan Nederlandse heffing over dat fictieve loon. (…).
BNB2004/314 [31] oordeelde u over een in België wonende directeur-grootaandeelhouder (dga) die renteloos uitleende aan ‘zijn’ Nederlandse BV. Het toenmalige verdragsposterieur ingevoerde art. 24(4) Wet IB 1964 merkte als inkomsten uit vermogen aan een ‘normale’ rente op een dergelijke lening. De inspecteur had op basis daarvan inkomsten uit vermogen bij de dga belast naar een door het belastingverdrag beperkt tarief ad 10%. De vraag was of Nederland deze in werkelijkheid niet-betaalde en niet-genoten inkomsten uit vermogen kon belasten onder het anterieur gesloten belastingverdrag met België. U oordeelde van niet:
BNB2004/314) zag hierin dezelfde benadering als in de fictief-loonarresten (HR
BNB2003/379 en HR
BNB2003/381; zie 4.5.1 hierboven):
BNB2003/379c* - dat de gefingeerde rentebaten geen inkomsten zijn waarop het restartikel van het belastingverdrag van toepassing is. Niettemin ontzegt dit rechtscollege aan Nederland het recht ter zake van de fictieve rente-inkomsten tot (een blijkens art. 11, § 2, van het belastingverdrag tot 10% gemaximeerde) heffing van inkomstenbelasting over te gaan, aangezien de fictie van art. 24, vierde lid, Wet IB 1964 geen inkomsten oplevert die vatbaar zijn voor belastingheffing door België. Is geen sprake van inkomsten als bedoeld in art. 22 van Pro het belastingverdrag en kunnen de fictieve rentebaten ook overigens niet onder één van de verdragsbepalingen worden gerangschikt, moet de conclusie dan echter niet luiden dat het belastingverdrag Nederland geen strobreed in de weg legt dergelijke baten in de belastingheffing te betrekken?
BNB2003/285, na conclusie van A-G Wattel en m. nt. S. van Weeghel. Het niet-doorwerken van de nationale herkwalificatie op grond van fraus legis voor de toepassing van het belastingverdrag mag niet tot gevolg hebben dat Nederland juist daardoor in staat wordt gesteld om tot heffing van (in dat geval) dividendbelasting over te gaan. Een dergelijk - in de woorden van de annotator - vrij hoog 'het-kan-toch-niet-zo-zijn'-gehalte lijkt in casu eveneens te spelen: het kan toch niet zo zijn dat het niet-doorwerken van een nationale fictie naar het toepasselijke belastingverdrag juist tot het resultaat voert dat Nederland tot heffing van inkomstenbelasting kan overgaan? De door de verdragssluitende partijen jegens elkaar in acht te nemen betamelijkheid (of zoals de Hoge Raad het in rechtsoverweging 3.4.4 formuleert: het beginsel van wederkerigheid) staat daaraan in de weg.”
BNB2007/141 [32] betrof een in België wonende grootaandeelhouder C in een Nederlandse BV (de belanghebbende) die de aandelen hield in een tweede Nederlandse BV (A Holding BV). C was ook grootaandeelhouder in een Antilliaanse vennootschap D NV. A Holding BV had voor een onzakelijk hoge prijs een licentie overgenomen van D NV. De vraag was of onder het belastingverdrag Nederland-België 1970 een verkapte dividenduitkering door A holding BV aan C aan inhouding ten laste van C kon worden onderworpen wegens die bevoordeling van D NV door A Holding BV. U overwoog:
BNB2007/141) verklaarde het verschil met HR
BNB2003/379 (zie 4.5.1 hierboven) uit het gegeven dat in HR
BNB2007/141 wél daadwerkelijk geld de grens over ging, maar gaat niet in op het gegeven dat het geld niet naar het relevante verdragsland België ging, maar naar de Nederlandse Antillen:
De Vries(
NTFR2007/356) onderscheidde HR
BNB2007/141 van de fictief-loonarresten op basis van het wél c.q. niet daadwerkelijk genoten zijn van een voordeel: anders dan in de fictief-loonarresten, verschoof in HR
BNB2007/141 ‘echt’ vermogen naar C:
Brandsma(
FED2007/92) komt bij de analyse van het verschil tussen fictief loon en verkapt dividend voor belastingverdragstoepassing tot de conclusie dat het verschil is dat bij verkapte winstuitdeling daadwerkelijk vermogen verschuift:
BNB2014/170 [33] hield de belanghebbende natuurlijke persoon buitenlandse participaties waarop hij deels wel en deels geen dividend ontving. In de Nederlandse inkomstenbelasting werd hij belast voor een fictief rendement ad 4% van de waarde van die participaties. De vraag was of het toepasselijke belastingverdrag in de weg stond aan het belasten van niet-genoten inkomsten. Anders dan in uw fictief-loon- en fictieve-rentearresten, zag u geen verdragsrechtelijk probleem omdat het ondanks de fictionalisering van de inkomsten nog steeds ging om inkomsten die naar hun aard aan Nederland waren toegewezen en waarvan volgens u alleen de genietings-
timingwerd vervroegd:
BNB2014/170) acht dit een begrijpelijke uitkomst in het licht van de fictief-loonarresten:
BNB2017/34 [34] betoogt dat beslissend lijken (i) de
timingvan de introductie van de eenzijdige nationale inkomensfictie (vóór of na het sluiten van het belastingverdrag) en (ii) een al dan niet uit publicatie blijkend gezamenlijk standpunt van de verdragspartners dienaangaande:
5.Beoordeling van het beroep
Middelonderdeel A(i): wat heeft het hof Amsterdam vastgesteld over de aftrekbaarheid van het valutaverlies op [A] ’s pondenvordering?
nietin aanmerking te nemen € 1.535.669, waarna slechts een ‘extra’ koersverlies (ten opzichte van [A] ’s commerciële dollarwinst die uitgangspunt is voor de toetswinstberekening) resteerde ad (€ 4.965.199 -/- € 1.535.669 =) € 3.429.530. In getallen heeft hof Amsterdam volgens mij het volgende gedaan:
hoedie vermogenswaarde (de ten onrechte niet-berekende rente) is verschoven van [A] naar [E] . Uit uw arrest HR
BNB2007/141 (zie 4.5.3) volgt dat zulks alleen ‘bovenlangs’ kan. In casu is [B] Ltd, de uiteindelijke Zuid-Afrikaanse ((over)groot)moeder, vergelijkbaar met de uiteindelijk gerechtigde natuurlijke persoon C in de zaak HR
BNB2007/141. Er zijn wel twee verschillen tussen ons geval en dat van HR
BNB2007/141: (i) in ons geval gaat het niet om een onzakelijk hoge prijs voor een licentie, maar om een onzakelijk lage prijs voor een geldverstrekking, zodat de stroomrichting van de bevoordeling omgekeerd is: als de bevoordeling in HR
BNB2007/141 linksom door het concern liep over de uiteindelijke top (C), loopt zij in onze zaak rechtsom over de uiteindelijke top ( [B] Ltd); (ii) in ons geval gaat het om Nederland als woonstaat van de genieter, terwijl het in HR
BNB2007/141 ging om Nederland als bronstaat, waardoor het in ons geval gaat om de vennootschapsbelasting ten laste van een inwoner, terwijl het in HR
BNB2007/141 ging om de dividendbelasting ten laste van een niet-inwoner. Principieel maken deze verschillen mijns inziens echter niet uit.
BNB2007/141 (zie 4.5.3) gaat het om “een reële, zij het vermomde, dividenduitkering” van [A] aan de belanghebbende en van de belanghebbende aan [B] Ltd., en “een, gelijktijdig gedane, informele kapitaalstorting” van [B] Ltd in (uiteindelijk) [E] . Het gaat dus niet om fictief inkomen, maar om een reële vermogensverschuiving, zodat de inkomenskarakteriseringsvragen die in de boven geciteerde fictief-inkomenarresten aan de orde waren, in casu geen rol spelen.
dividends) valt. Het gaat zowel naar nationaal recht als naar verdragsrecht om (verkapt) dividend. Blijkens onderdeel 39 van het Commentaar op art. 10 van Pro het 1963-OESO-Modelverdrag - dat in casu ‘van grote betekenis’ is (zie HR
BNB1992/379 in 4.5.1 hierboven) omdat art. 8 van Pro het Verdrag conform art. 10 van Pro het 1963 OESO-Modelverdrag luidt - omvat ook het dividendbegrip in art. 8 mede Pro verkapt dividend. Volgens dat Commentaar geldt immers dat ‘Payments regarded as dividends may include (…) disguised distributions of profits.’ Twijfel kan rijzen door het gebruik van de term ‘paid’ in art. 8 verdrag Pro/art. 10 Model Pro. In casu is immers door [A] feitelijk niets ‘betaald’ aan de belanghebbende. De verkapte uitdeling zit er immers juist in dat [E]
nietheeft betaald aan [A] hetgeen zij in zakelijke verhoudingen wel zou hebben moeten betalen. Zoals uit het citaat uit het 1963-Commentaar blijkt, heeft echter ook dat Commentaar het al over ‘payments’ óók in verband met ‘disguised distributions’. En uit HR
BNB2007/141 volgt dat voor u niet ter zake doet dat de ‘payment’ van het verkapte dividend (de vermogensverschuiving) niet rechtstreeks zichtbaar is tussen [A] en de belanghebbende, maar alleen tussen [A] en [E] , zoals in HR
BNB2007/141 de ‘payment’ alleen zichtbaar was tussen de zusters A Holding in Nederland en D NV op de Antillen en niet tussen de belanghebbende en haar Belgische aandeelhouder.
observationgemaakt (zie 4.4) bij het latere OESO-Commentaar dat stelt dat het OESO-Model nooit in de weg zou hebben gestaan aan toepassing van CFC-wetgeving omdat dergelijke wetgeving geacht zou moeten worden niet de winst van de buitenlandse dochter, maar eigen winst van de binnenlandse moeder te belasten. Ik meen echter dat Nederland in casu geen CFC(achtige)-wetgeving toepast op de
niet-uitgekeerde winst van [E] of [A] , maar om arm’s length winstbepaling bij de belanghebbende ter zake van wel degelijk – maar verkapt – aan haar uitgekeerde winst. Dat Ierland als een van de zeer weinige OESO-landen tot voor kort zelf geen
arm’s lengthcorrecties toepaste, lijkt mij niet relevant. Aan die Ierse eigenaardigheid hoeven de Nederlandse wetgever en belastingheffer zich niet aan te passen, ook niet als dat tot dubbele belastingheffing zou leiden.
reformatio in peiusniet in de weg staat aan interne compensatie, mits het totale bedrag van de aanslag (de bestreden beschikking) maar niet hoger wordt. [35] De bestreden verliesvaststellingsbeschikking is vastgesteld op nihil (zie 2.3). Ook het Hof heeft de verliesvaststellingsbeschikking op nihil berekend (zie 2.15), waarbij de aanslag is berekend als hulpberekening. De belanghebbende is ten aanzien van de bestreden verliesvaststellingsbeschikking dus niet slechter af geraakt als gevolg van haar gebruik van rechtsmiddelen, zodat het verbod op
reformatio in peiusniet is geschonden.