ECLI:NL:HR:2004:AP4475

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/178HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging nietigheid ontslag en toewijzing loonvordering na mondeling ontslag

PR Bouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij [verweerder] op 19 september 1997 mondeling heeft ontslagen. [Verweerder] betwistte dit en vorderde nietigverklaring van het ontslag en betaling van loon tot rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter stond PR Bouw toe bewijs te leveren van het mondelinge ontslag en wees de vorderingen van [verweerder] af. In hoger beroep werd het tussenvonnis bekrachtigd, maar de loonvordering toegewezen en het ontslag nietig verklaard. PR Bouw stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en bevestigt het vonnis van de rechtbank. PR Bouw wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van PR Bouw wordt verworpen en het ontslag wordt nietig verklaard met toewijzing van de loonvordering.

Uitspraak

19 november 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/178HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
PR BOUW B.V.,
gevestigd te Uden,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 16 maart 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: PR Bouw - gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Hertogenbosch en gevorderd - kort gezegd - te bepalen dat het aan [verweerder] verleende ontslag nietig is en PR Bouw te veroordelen tot betaling van loon c.a. tot aan het moment dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderden met de wettelijke rente.
PR Bouw heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 maart 1999 PR Bouw toegelaten tot het bewijs van de juistheid van haar stelling dat zij [verweerder] op 19 september 1997 mondeling ontslag heeft aangezegd. Na getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 10 februari 2000 [verweerder] zijn vorderingen ontzegd.
Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch. [Verweerder] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd in dier voege dat hij tevens vergoeding vordert voor negen niet genoten vakantiedagen.
Bij vonnis van 8 januari 2003 heeft de rechtbank het tussenvonnis van de kantonrechter bekrachtigd, het eindvonnis van 10 februari 2000 voor zover daarbij de vordering tot nietigbepaling van het ontslag is ontzegd eveneens bekrachtigd, het eindvonnis voor het overige vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de loonvordering c.a. toegewezen als vermeld in het dictum van deze uitspraak.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft PR Bouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt PR Bouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 158,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 19 november 2004.