ECLI:NL:HR:2004:AR1739
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- P. Neleman
- Rechtspraak.nl
Aanvangsdatum korte verjaringstermijn voor schadevergoeding wegens niet-aanzeggen wettelijke rente
In deze zaak vordert eiser tot cassatie vergoeding van gederfde wettelijke rente wegens het niet-aanzeggen daarvan door zijn raadsman, verweerder. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, een oordeel dat het hof bekrachtigde met de overweging dat geen beroepsfout aan verweerder kon worden toegerekend.
De kern van het geschil betreft de aanvang van de korte verjaringstermijn van vijf jaar zoals bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat deze termijn begon te lopen in mei 1987, toen eiser feitelijk bekend was met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Eiser stelde dat hij pas later, in 1993 respectievelijk 1997, juridisch bekend werd met de schade en aansprakelijkheid, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'bekend' in art. 3:310 lid 1 BW Pro feitelijk en niet juridisch moet worden geïnterpreteerd. De verjaring begint te lopen zodra de benadeelde feitelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen, zonder dat vereist is dat hij de juridische kwalificatie van de feiten kent. Dit voorkomt rechtsongelijkheid en bevordert rechtszekerheid.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering verjaard is. De uitspraak onderstreept het belang van een feitelijke benadering van het verjaringstijdstip bij schadevorderingen en beperkt het beroep op rechtsdwaling in dit kader.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering tot schadevergoeding wegens niet-aanzeggen wettelijke rente is verjaard.