ECLI:NL:HR:2004:AR3001
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet tijdig ingediende middelen
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch betrokkene veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 23.104,94 aan de Staat, subsidiair 180 dagen hechtenis, wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad en diende namens zich een geschrift in. Tijdens de terechtzitting voor strafzaken van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad op 22 juni 2004 overhandigde de raadsman een schriftelijke toelichting op de cassatiemiddelen.
De Hoge Raad overweegt dat de mogelijkheid tot schriftelijke toelichting ex art. 438, tweede lid, aanhef en onder a, Sv uitsluitend geldt voor tijdig ingediende middelen. Deze regeling is niet bedoeld om nieuwe klachten te introduceren nadat de termijn is verstreken. Omdat betrokkene niet binnen de wettelijke termijn de middelen heeft ingediend, kan het ter zitting overgelegde geschrift niet als cassatiemiddelen worden aangemerkt.
Daarmee is niet voldaan aan het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, waardoor betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van tijdige indiening van cassatiemiddelen en sluit de mogelijkheid uit om dit achteraf alsnog te corrigeren via een toelichting ter zitting.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig ingediende middelen.