ECLI:NL:HR:2004:AR3092

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38080
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 123 lid 3 Waterschapswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onbevoegdheid dagelijk bestuur

Belanghebbende kreeg voor 1998 een aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd door het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag.

De heffingsambtenaar stelde tegen het Hof-arrest cassatieberoep in. De Hoge Raad verzocht om opgave namens welk orgaan het beroep was ingesteld, waarop bleek dat dit door de heffingsambtenaar zelf was gedaan.

Volgens artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 123, lid 3, van de Waterschapswet is echter uitsluitend het dagelijks bestuur van het Zuiveringsschap bevoegd tot het instellen van cassatie. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Er werden geen proceskosten toegewezen. Het arrest werd op 1 oktober 2004 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de heffingsambtenaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid.

Uitspraak

Nr. 38.080
1 oktober 2004
RS
gewezen op het beroep in cassatie van de productmanager Belastingadministratie van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: de heffingsambtenaar) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 januari 2002, nr. BK-00/03034, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: het Zuiveringsschap) opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, en de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een vervuilingswaarde van 3 vervuilingseenheden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De heffingsambtenaar heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 30 december 2003 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Het beroep in cassatie is namens het Zuiveringsschap ingesteld door mr. W.L. Bos, advocaat en procureur bij het Zuiveringsschap. Bij brief van 4 september 2003 heeft de griffier van de Hoge Raad aan mr. Bos verzocht te verduidelijken namens welk orgaan van het Zuiveringsschap hij het cassatieberoep heeft ingesteld. Mr. Bos heeft daarop bij brief van 26 september 2003 geantwoord dat hij het cassatieberoep heeft ingesteld namens de heffingsambtenaar.
3.2. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de heffingsambtenaar beroep in cassatie heeft ingesteld. Ingevolge artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 123, lid 3, aanhef en letter a, van de Waterschapswet is echter het dagelijks bestuur van het Zuiveringsschap bij uitsluiting bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De Hoge Raad zal daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren (vgl. HR 7 juni 2002, nr. 36445, BNB 2002/279).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.