ECLI:NL:HR:2004:AR3099

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38967
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 42 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onterecht niet toelaten stukken in belastingzaak

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 1992 tot en met 1995 inzake inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslagen, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof bevestigde de aanslagen en wees het aanbod van belanghebbende om een kilometeradministratie ter zitting over te leggen af als tardief.

In cassatie klaagde belanghebbende dat het Hof ten onrechte de stukken niet had toegelaten, mede omdat hem door de belastingdienst was meegedeeld dat geen stukken meer konden worden ingediend. De Hoge Raad overwoog dat artikel 8:58 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht partijen toestaat stukken tot tien dagen voor de zitting in te dienen en dat de rechter binnen de goede procesorde kan bepalen of latere stukken worden toegelaten.

Het Hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het aanbod van belanghebbende om de kilometeradministratie ter zitting te overleggen niet werd toegelaten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd het griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch.

Uitspraak

Nr. 38.967
1 oktober 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 december 2002, nr. 01/02547, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1992 tot en met 1995 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 17.545, ƒ 23.061, ƒ 12.669 en ƒ 15.760, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing vindt op twee van tot belanghebbendes handelsvoorraad deel uitmakende personenauto's, nu naar het oordeel van het Hof niet overtuigend is aangetoond dat de auto's ieder voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden zijn gebruikt. Het Hof heeft het aanbod van belanghebbende om ter zitting alsnog een kilometeradministratie over te leggen als zijnde tardief gepasseerd, nu belanghebbende niet bij zijn beroepschrift of tijdig voor de zitting de kilometeradministratie heeft overgelegd, hoewel hij vanaf de ontvangst van het rapport van het boekenonderzoek, gedagtekend 13 november 1997, maar in ieder geval vanaf de ontvangst van de brief van de Inspecteur van 11 juli 2001, welke belanghebbende heeft ontvangen, wist of kon weten op welke wijze de bijtelling kon worden voorkomen.
3.2. Tegen dit oordeel keert het middel zich met het betoog dat het Hof belanghebbende ter zitting had moeten toelaten de door hem opgestelde kilometeradministratie over te leggen en dat belanghebbende niet verweten kan worden die administratie niet eerder aan de Inspecteur te hebben overgelegd, daar, toen belanghebbende eenmaal wist dat die administratie voor de zaak van belang was, hem van de zijde van de belastingadministratie is meegedeeld dat hij daar geen stukken meer kon indienen.
3.3. Artikel 8:58, lid 1, Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen.. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten. Het Hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat het alsnog overleggen van een kilometeradministratie ter zitting tardief was. De door het Hof daarvoor doorslaggevend geoordeelde omstandigheid dat de Inspecteur al eerder had gewezen op de mogelijkheid die bewijsstukken over te leggen, is voor dat oordeel onvoldoende redengevend. Het middel slaagt derhalve.
3.4. Uit hetgeen hiervóór in 3.3 is overwogen volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, J.W. van den Berge en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.