De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van heroïne en gewoontewitwassen, waarbij hij betrokken was bij Hawala-bankieren. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op ruim €2,1 miljoen, waarop de betrokkene hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat artikel 36e (oud) Wetboek van Strafrecht van toepassing is en baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op transactieberekeningen en het Ontnemingsrapport. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene als Hawala-bankier handelde, waarbij hij geldtransacties faciliteerde zonder zelf de onderliggende strafbare feiten te hebben gepleegd.
De berekening van het voordeel is gebaseerd op een provisie van 4% over de transacties, resulterend in een totaal van €54.256. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure vermindert het hof de betalingsverplichting met €5.000, waardoor de betrokkene €49.256 moet betalen. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en legt deze nieuwe verplichting op.