ECLI:NL:HR:2004:AR3998
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor psychotherapeutische handelingen volgens Zesde richtlijn
Belanghebbende, een zelfstandig psychotherapeute geregistreerd in het Register van Psychotherapeuten, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1992-1995. Zij had geen omzetbelasting voldaan omdat zij meende dat haar handelingen vrijgesteld waren. De Nederlandse wetgeving kende destijds geen vrijstelling voor psychotherapeuten, anders dan voor artsen, psychologen en paramedische beroepen.
Het Hof oordeelde dat de nationale wetgeving niet in strijd was met de Zesde richtlijn, omdat lidstaten de vrijheid hebben om te bepalen welke beroepen onder de vrijstelling vallen. De Hoge Raad betwist deze uitleg en verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie die stelt dat de materiële inhoud van de vrijstelling niet afhankelijk mag zijn van de nationale kwalificatie.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 13, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn, met name of psychotherapeutische handelingen door geregistreerde psychotherapeuten vrijgesteld zijn van BTW, ook als deze niet als medisch of paramedisch beroep worden erkend in nationale wetgeving.
De procedure wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak doet. Dit arrest is gewezen door de Hoge Raad op 15 oktober 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad heeft de procedure geschorst en het Hof van Justitie verzocht prejudiciële uitspraak te doen over de omzetbelastingvrijstelling voor psychotherapeuten.