ECLI:NL:HR:2004:AR4003
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep Staatssecretaris inzake afwaardering vordering en bewijslast
Belanghebbende was in beroep gekomen tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1994. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot nihil en de uitspraak van het hof was aangevochten door de Staatssecretaris van Financiën in cassatie.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat bepaalt dat afwaarderingen van vorderingen op deelnemingen onder bepaalde omstandigheden tot de winst worden gerekend. De Hoge Raad bevestigde dat het aan de inspecteur is om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat deze bepaling moet worden toegepast. Het hof had geoordeeld dat de inspecteur dit onvoldoende had gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was en dat het middel van de Staatssecretaris faalde. Ook het betoog dat het hof had miskend dat de deelneming aanspraak kon maken op een Engelse belastingvrijstelling faalde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en bevestigt de uitspraak van het hof.