ECLI:NL:HR:2004:AR5708

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01275/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 282 SvArt. 415 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak medeplegen opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin de verdachte werd veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet. Het hof bevestigde het vonnis van de Rechtbank te Maastricht waarbij de verdachte tot zes jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

De verdachte stelde een middel van cassatie in, dat door de Advocaat-Generaal werd beoordeeld en waarvoor de Hoge Raad geen aanleiding zag tot nadere motivering. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat er geen ambtshalve gronden waren om het arrest te vernietigen.

Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de veroordeling van zes jaar gevangenisstraf in stand. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 7 december 2004 onder voorzitterschap van vice-president C.J.G. Bleichrodt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

7 december 2004
Strafkamer
nr. 01275/04
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 2004, nummer 20/001921-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid, Huis van Bewaring "Overmaze" te Maastricht.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 3 juni 2003, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 december 2004.