Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AR6509

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39480
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 29f AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij intrekking beroep door Staatssecretaris omvat niet kosten verzoek

Na intrekking door de Staatssecretaris van Financiën van het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting, verzocht belanghebbende de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten voor zowel het cassatiegeding als het hofgeding, tot een totaal van €966.

De Staatssecretaris concludeerde tot een vergoeding van €644 voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Hoge Raad oordeelde dat alleen de kosten die redelijkerwijs gemaakt zijn voor de behandeling van het cassatiegeding vergoed kunnen worden, en niet de kosten die samenhangen met het verzoek tot intrekking van het beroep.

De reeds door het Hof toegekende vergoeding voor het hofgeding blijft van kracht, maar de kosten van het verzoek tot intrekking vallen buiten de reikwijdte van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is daarop niet van toepassing.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van €644 aan belanghebbende en wees de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden indien nog niet voldaan.

Uitkomst: De Staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van €644 aan proceskosten voor het cassatiegeding, exclusief kosten voor het verzoek tot intrekking.

Uitspraak

Nr. 39.480
26 november 2004
whk
gewezen op na te melden verzoek van X te Z.
1. Verzoek
Na de intrekking door de Staatssecretaris van Financiën van het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 maart 2003, nr. 01/01899, betreffende een aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting heeft belanghebbende het verzoek gedaan de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het geding in cassatie en de behandeling van het geding voor het Hof, totaal tot een bedrag van € 966.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend waarin hij concludeert tot toekenning van een vergoeding van proceskosten aan belanghebbende tot een bedrag van € 644.
2. Beoordeling van het verzoek
De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen als hierna zal worden vermeld. Voor het overige komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. Voor de kosten van de behandeling van het geding voor het Hof is belanghebbende reeds door het Hof een vergoeding toegekend, en de kosten die zijn gemaakt voor het onderhavige verzoek vallen buiten het bereik van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zodat, gelet op de tekst van artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, laatstgenoemd artikel op die kosten niet van toepassing is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten, indien nog niet vergoed, moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2004.