Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:519

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/3212
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep tegen WOZ-beschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag gemeentelijke heffingen van de gemeente Amsterdam. Na een akkoord over de waarde trok belanghebbende het beroep in en verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de gemachtigde van belanghebbende niet als professionele rechtshulpverlener werd aangemerkt.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de gemachtigde niet beroepsmatig rechtsbijstand verleende, maar dat belanghebbende desalniettemin recht had op de gevraagde proceskostenvergoeding van €759 omdat de heffingsambtenaar onvoorwaardelijk had toegezegd dit bedrag te betalen bij intrekking van het beroep.

Het hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de proceskostenvergoeding en wettelijke rente, en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de procedure binnen twee jaar was afgerond.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 5 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van €759 proceskostenvergoeding met wettelijke rente aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3212
5 februari 2026
uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: [Y]
tegen de uitspraak van 28 maart 2024 in de zaak met kenmerk AMS 22/98 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een WOZ-beschikking en een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 25 november 2021. Daarbij is de vastgestelde waarde verminderd en is een kostenvergoeding toegekend van € 265.
1.3.
Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit een forfaitaire vergoeding in beroep. De rechtbank heeft het verzoek in de uitspraak van 28 maart 2024 afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft op 21 mei 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
1.5.
Het Hof heeft op 13 mei 2025, met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro, zonder zitting uitspraak gedaan. Het Hof heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.6.
Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen deze uitspraak. Het Hof heeft het verzet gegrond verklaard.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

De heffingsambtenaar is om proceseconomische overwegingen akkoord gegaan met de door belanghebbende in beroep voorgestane waarde. Belanghebbende heeft hierop het beroep bij brief van 27 juli 2022 bij de rechtbank ingetrokken en daarbij verzocht om een proceskostenvergoeding.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 759 voor de beroepsfase.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen (voetnoten van de uitspraak van de rechtbank zijn niet opgenomen):

Is aan het beroep tegemoetgekomen?
2. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder, zo staat in de intrekkingsbrief, partijen tot een akkoord zijn gekomen over de waarde van het object [a-straat 1] te [Z] . Verweerder heeft ondanks een daartoe strekkend verzoek van de griffier van 26 oktober 2022 niet gereageerd op het verzoek het tegemoetkomingsbesluit in te zenden. Gelet hierop wordt verweerder geacht aan het verzoek van eiser te zijn tegemoetgekomen.
Proceskosten
3. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank overweegt hiertoe dat eisers gemachtigde niet voldoet aan de voorwaarden om als professionele rechtshulpverlener te kunnen worden aangemerkt. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat eisers gemachtigde niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep wordt afgewezen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
4.1
Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding met betrekking tot mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.
4.2
In zijn arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad algemene regels gegeven omtrent de beoordeling van de redelijke termijn van berechting.
4.3
De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan dan wel het beroep (met een verzoek om een schadevergoeding) is ingetrokken. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.
4.4
De rechtbank stelt vast dat eiser op 16 april 2021 bezwaar heeft gemaakt. Het beroep is op 27 juli 2022 ingetrokken. Dat betekent dat ten tijde van de intrekking van het beroep nog geen twee jaar is verstreken. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
5. Verweerder dient aan eiser het betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, [Y] , de zoon van belanghebbende, niet kan worden aangemerkt als derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Het Hof heeft dit in diverse eerdere uitspraken beslist (zie o.a. 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, en 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1599). In hoger beroep zijn in deze zaak geen feiten en omstandigheden aan het licht gekomen die aanleiding geven om thans anders te oordelen.
5.2.
Belanghebbende heeft desalniettemin recht op de gevraagde proceskostenvergoeding van € 759 omdat de heffingsambtenaar in zijn e-mail van 26 juli 2022 de onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dit bedrag te betalen indien het beroep zou worden ingetrokken. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar desgevraagd bevestigd dat hij dit bedrag zou hebben betaald indien belanghebbende daarom onmiddellijk na de intrekking van het beroep zou hebben gevraagd.
5.3.
De uitspraak van de rechtbank kan dan ook niet in stand blijven.

6.Kosten

Kosten gemaakt voor de behandeling van een verzoek als het onderhavige bij de rechtbank vallen buiten het bereik van art. 8:75 Awb Pro (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6509) en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Voor een kostenvergoeding voor de fase van het hoger beroep bestaat geen aanleiding gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • gelast de heffingsambtenaar een bedrag van € 759 aan belanghebbende te betalen;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van € 759 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van het Hof tot aan de dag van algehele voldoening.
De uitspraak is gedaan door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 5 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: