ECLI:NL:HR:2004:AR6511
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat niet opleggen voorlopige WAZ-aanslagen geen gerechtvaardigd vertrouwen wekt op afzien van definitieve aanslagen
Belanghebbende kreeg voor de jaren 1998, 1999 en 2000 aanslagen opgelegd in de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) op basis van een vastgesteld premie-inkomen. Na bezwaar werden deze aanslagen gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer het verweer dat het niet opleggen van voorlopige aanslagen door de Inspecteur een gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt dat definitieve aanslagen achterwege zouden blijven. Dit werd verworpen: het handelen van de Inspecteur kon geen dergelijk vertrouwen wekken. Ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalde omdat er geen sprake was van een voorafgaand geschil over de premies.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; het niet opleggen van voorlopige WAZ-aanslagen wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen op afzien van definitieve aanslagen.