ECLI:NL:HR:2005:AO3156
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen infiltratieaftrek grondwaterbelasting bij natuurlijke oeverinfiltratie
Belanghebbende, een drinkwaterbedrijf, had grondwaterbelasting betaald en bezwaar gemaakt tegen het bedrag. Dit bezwaar werd door de Inspecteur en het Hof afgewezen. De kern van het geschil betrof de vraag of oeverinfiltratie, waarbij oppervlaktewater via de oever in de bodem sijpelt door grondwateronttrekking, als infiltreren van water in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) kan worden aangemerkt, wat recht zou geven op een belastingvermindering.
De Hoge Raad overwoog dat infiltreren van water in de Wbm vereist dat water door menselijke, kunstmatige activiteit in de bodem wordt gebracht. Natuurlijke processen zoals oeverinfiltratie, ook al worden ze door grondwateronttrekking geïnduceerd, vallen hier niet onder. Het oordeel van het Hof dat in deze zaak sprake was van een natuurlijk proces en geen infiltratie in de zin van de Wbm, is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet kan worden getoetst.
Daarom faalt het middel van belanghebbende en wordt het beroep in cassatie ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de afwijzing van de vermindering van grondwaterbelasting in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat natuurlijke oeverinfiltratie niet leidt tot vermindering van grondwaterbelasting.