ECLI:NL:HR:2005:AR3259
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en valsheid in geschrift. Het hof legde een gevangenisstraf van zes maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
In cassatie klaagt de verdachte onder meer over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad constateert dat het cassatieberoep op 20 februari 2003 is ingesteld en pas op 16 maart 2004 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen, waarna de beslissing langer dan twee jaar op zich liet wachten. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het onderdeel van het arrest dat betrekking heeft op de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze met zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige middelen worden verworpen omdat zij geen feitelijke grondslag hebben of niet leiden tot cassatie. Het arrest wordt uitgesproken door een meervoudige kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Bleichrodt.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.