ECLI:NL:PHR:2005:AR3259
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling poging tot vrijheidsberoving en verwijst zaak terug
De zaak betreft een poging tot medeplegen van het opzettelijk wederrechtelijk beroven van de vrijheid van het slachtoffer, de zus van verdachte, en valsheid in geschrift. Verdachte en zijn broer zochten stelselmatig naar het slachtoffer, ondanks haar duidelijke wens geen contact te hebben. Op 24 februari 2000 achtervolgden zij haar, waarbij de broer haar vastgreep en vasthield, hetgeen getuigen bevestigen.
Het hof veroordeelde verdachte bij verstek tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, en stelde dat het vasthouden van het slachtoffer onderdeel was van het voornemen tot vrijheidsberoving. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte en zijn broer het voornemen hadden het slachtoffer van haar vrijheid te beroven. Het enkele vastgrijpen en vasthouden is onvoldoende voor een kwalificatie als vrijheidsberoving, zeker omdat niet blijkt dat zij haar naar de auto wilden trekken. De motivering van het hof is daarom onvoldoende. Tevens constateert de Hoge Raad overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting en beoordeling. De overige middelen worden niet behandeld omdat zij geen cassatiegronden opleveren.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.