ECLI:NL:HR:2005:AS6019
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat Picoplast een niet-toegelaten bestrijdingsmiddel is volgens Bestrijdingsmiddelenwet 1962
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij werd veroordeeld wegens het opzettelijk voorhanden hebben van niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen, waaronder Picoplast. Verdachte voerde aan dat Picoplast geen bestrijdingsmiddel zou zijn omdat het geen biocide is en het effect ook met andere middelen kan worden bereikt.
Het Hof verwierp dit verweer en stelde vast dat Picoplast onder de definitie van bestrijdingsmiddel viel volgens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zoals die op het tijdstip van de tenlastelegging gold. De toelating van Picoplast was ingetrokken en het middel mocht niet worden voorhanden gehouden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af.
De Hoge Raad benadrukte dat de term 'biocide' pas na de tenlastelegging in de wet was opgenomen, zodat het verweer dat Picoplast geen biocide is niet relevant was. Ook het argument dat hetzelfde effect met andere middelen kan worden bereikt, deed niet af aan de kwalificatie van Picoplast als niet-toegelaten bestrijdingsmiddel. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het opzettelijk voorhanden hebben van niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen.