ECLI:NL:HR:2005:AT1819

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03021/04 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROOpiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitleveringsuitspraak wegens ontbreken bewijs ecstasy-samenstelling

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Turkije wegens betrokkenheid bij invoer en handel in ecstasy-pillen. De Rechtbank Breda had de uitlevering toelaatbaar verklaard voor handel in verdovende middelen, maar ontoelaatbaar voor productie.

In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat het Turkse forensisch rapport over de inbeslaggenomen pillen niet bij de stukken was gevoegd en dat het resultaat van dat onderzoek ontbrak. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welke stof de pillen bevatten en of deze onder de Opiumwet vallen.

De Hoge Raad concludeerde dat zonder deze informatie niet kan worden vastgesteld of de verdenking betrekking heeft op strafbare feiten volgens Nederlands recht. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak en verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar.

De zaak werd aangehouden voor een zitting waarin de opgeëiste persoon zal worden gehoord over het uitleveringsverzoek. De advocaat-generaal had reeds geconcludeerd tot vernietiging en ontoelaatbaarheid van de uitlevering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitleveringsuitspraak en verklaart de uitlevering ontoelaatbaar wegens ontbreken van bewijs over de samenstelling van de ecstasy-pillen.

Uitspraak

5 april 2005
Strafkamer
nr. 03021/04 U
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda van 8 september 2004, nummer RK 04/937, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1960, wonende te [geboorteplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging in de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de handel in verdovende middelen in vereniging met anderen en ontoelaatbaar verklaard voor de productie van verdovende middelen.
2. Geding in cassatie
Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde stukken wordt, voorzover thans nog van belang, de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van - kort gezegd - zijn betrokkenheid bij de invoer en/of handel in ecstasy-pillen. Weliswaar houden de toegezonden stukken in dat de inbeslaggenomen pillen in het forensisch laboratorium van Antalya zijn onderzocht - van welk onderzoek onder no 2003/401 op 23 november 2003 een rapport is opgemaakt - doch dat rapport bevindt zich niet bij de stukken en evenmin is in het uitleveringsverzoek of de bijlagen daarvan vermeld tot welk resultaat bedoeld onderzoek heeft geleid. Gelet daarop blijkt niet welke de samenstelling was van de stof die in de stukken met ecstasy/extasie/XTC is aangeduid. Dat brengt mee dat thans niet kan worden vastgesteld dat de jegens de opgeëiste persoon gerezen verdenking betrekking heeft op handelingen ten aanzien van een stof of stoffen waarop de Opiumwet van toepassing is en dus evenmin of die handelingen naar Nederlands recht strafbaar zijn.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 17 mei 2005 te 12.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.