ECLI:NL:HR:2005:AT3407
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 11c Wet LB bij overdracht pensioenverplichting aan niet-verzekeraar
In deze zaak is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd over het jaar 1996, waarbij de waarde van pensioenverplichtingen die waren overgedragen aan een op Curaçao gevestigde naamloze vennootschap (G N.V.) als loon uit vroegere dienstbetrekking werd aangemerkt. Belanghebbende betwistte dit, stellende dat sprake was van bestaande pensioenaanspraken per 31 december 1994 en dat de navordering daarom niet terecht was.
Het Hof oordeelde dat de wijziging van de ingangsdatum van het pensioen na 31 december 1994 betekende dat de pensioenverplichtingen niet als bestaande aanspraken konden worden aangemerkt en verwierp het beroep van belanghebbende. De Hoge Raad stelde echter dat het enkele uitstel van de ingangsdatum onvoldoende is om te concluderen dat het geen bestaande aanspraak betrof, maar verwierp het cassatiemiddel omdat de wetsgeschiedenis en tekst van de artikelen 11c en 36 Wet LB geen steun bieden voor de stelling van belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigde dat de overdracht van pensioenverplichtingen aan een niet-verzekeraar zoals G N.V. niet valt onder de overgangsregeling van artikel 36 Wet Pro LB en dat artikel 11c Wet LB van toepassing blijft. Ook de stelling dat de Wet IB 1964 geen grondslag biedt voor het aanmerken van loon werd verworpen, omdat het begrip loon conform de loonbelastingwetgeving moet worden uitgelegd.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee is de navorderingsaanslag definitief bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag op grond van artikel 11c Wet LB.