Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2012, 2013 en 2014 wegens correcties op eerder opgevoerde aftrekposten in de inkomstenbelasting. De inspecteur verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbank bevestigde dit. Belanghebbende stelde dat de inspecteur ambtelijk verzuim had gepleegd door niet tijdig te constateren dat de aftrekposten onjuist waren, en dat de kwade trouw van zijn adviseur niet aan hem kon worden toegerekend.
Het hof oordeelde dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen mocht uitgaan van de juistheid van de door belanghebbende verstrekte gegevens, tenzij er redelijke twijfel bestond. Het hof vond dat de inspecteur met normale zorgvuldigheid geen reden had om aan de juistheid van de aangiften te twijfelen, mede omdat de aftrekposten forfaitaire elementen bevatten en het inkomen niet zo laag was dat het onmogelijk was de kosten te betalen.
Daarom was er geen sprake van ambtelijk verzuim en was de navordering terecht. De stellingen over de toerekenbaarheid van de kwade trouw van de adviseur behoefden geen behandeling meer. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.