ECLI:NL:HR:2005:AT3511

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/147HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROBoek 7 BWWet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering over opgenomen vakantiedagen tegen tennisvereniging

Eiser vorderde bij de kantonrechter betaling van loon over vakantiedagen die hij tussen april 1996 en maart 2002 had opgenomen, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging. De kantonrechter wees deze vordering af. Eiser ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de kantonrechter bekrachtigde.

Daarop stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De tennisvereniging BLTC was niet verschenen en verstek tegen haar werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van BLTC nihil zijn begroot. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vice-president.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de eerdere afwijzing van zijn loonvordering blijft in stand.

Uitspraak

8 juli 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/147HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging BLARICUMSE LAWN TENNIS CLUB BLARICUM,
gevestigd te Blaricum,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 30 november 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: BLTC - gedagvaard voor de kantonrechter te Hilversum en gevorderd BLTC te veroordelen aan hem te betalen het loon over de door [eiser] opgenomen vakantiedagen in de periode april 1996 tot en met maart 2002, te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
BLTC heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 juli 2002 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 5 februari 2004 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen BLTC is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BLTC begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 juli 2005.