ECLI:NL:HR:2005:AT3569
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vervolging wegens onjuiste aangifte vennootschapsbelasting en uitleg begrip ontdoken belasting
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de vervolging van verdachte wegens het doen van een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting terecht was, mede in het licht van de Richtlijnen aanmelding, transactie en vervolging fiscale delicten en douanedelicten. Het hof had vastgesteld dat het begrip 'ontdoken belasting' ook de belasting omvat die te weinig geheven zou zijn indien de onjuiste aangifte door de belastingdienst ten onrechte zou zijn gevolgd.
Verdachte stelde onder meer dat er geen sprake was van ontdoken belasting in de zin van de richtlijnen, omdat het inkomen negatief was en de drempel van 25.000 gulden niet werd overschreden. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat toekomstige compensatie van verliezen niet relevant is voor de beoordeling van het ontdoken bedrag.
Daarnaast werd het verweer dat artikel 69, vierde lid, AWR vervolging zou verhinderen verworpen, omdat het feit zich voordeed vóór de inwerkingtreding van de Invoeringswet bestuurlijke boeten. De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling van verdachte tot onbetaalde arbeid en voorwaardelijke gevangenisstraf in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot onbetaalde arbeid en voorwaardelijke gevangenisstraf blijft in stand.