ECLI:NL:HR:2005:AT4369
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken stoornis bij bewezenverklaard feit
De aanvrager heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Utrecht uit 1999, waarin hij veroordeeld werd voor vernieling van een goed dat aan een ander toebehoorde. Het verzoek berustte op de stelling dat de aanvrager ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 1998 leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, waardoor het strafbare feit hem niet toegerekend kon worden.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of uit de aangevoerde en overgelegde stukken kon worden afgeleid dat de stoornis zodanig was en in zodanig verband stond met het feit dat het ernstig vermoeden bestond dat de rechter de aanvrager niet zou hebben veroordeeld of zou hebben ontslagen van rechtsvervolging. Dit bleek niet het geval; er was geen bewijs dat de stoornis ten tijde van het feit aanwezig was of dat deze van dien aard was.
Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad dat artikel 457, eerste lid, onder 2°, Sv, met 'de toepassing van een minder zware strafbepaling' doelt op een wettelijke strafbaarstelling die een minder zware straf bedreigt, en niet op een veroordeling tot een minder zware straf.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was dat het verzoek ongegrond was, waarna de Hoge Raad het verzoek tot herziening heeft afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens ontbreken van een ziekelijke stoornis ten tijde van het bewezenverklaarde feit.