ECLI:NL:HR:2005:AT4464
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.H. Koster
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert navorderingsaanslagverhoging wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 87.208. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 168.158 en een verhoging van honderd procent op de nagevorderde belasting. De Inspecteur verleende een kwijtschelding van vijftig procent, waardoor een verhoging van ƒ 24.088 resteerde.
Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de navorderingsaanslag en de verhoging. Het Hof bevestigde de aanslag maar vernietigde de verhoging en verminderde deze tot ƒ 12.044. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond, vernietigde het hofarrest slechts voor zover het de verhoging betrof en besloot ambtshalve de verhoging verder kwijt te schelden tot een bedrag van ƒ 10.839 (€ 4.918,52) vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om tot cassatie te leiden en zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 22 april 2005 door een meervoudige kamer.
Uitkomst: De Hoge Raad scheldt ambtshalve een deel van de navorderingsaanslagverhoging kwijt wegens overschrijding van de redelijke termijn.