ECLI:NL:HR:2005:AT4477
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Ingangstijdstip fiscale eenheid volgens artikel 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968
Belanghebbenden, bestaande uit een echtpaar en een B.V., exploiteerden een agrarisch bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma tot 1 september 1999, waarna het bedrijfsvermogen werd overgedragen aan de B.V. en de onroerende zaken werden verpacht. Zij verzochten de Inspecteur om als één ondernemer te worden aangemerkt met ingang van 1 september 1999, maar de Inspecteur stelde het tijdstip op 1 maart 2000.
Na afwijzing van bezwaar en beroep bij het Hof, waarbij het Hof het standpunt van belanghebbenden verwierp, stelde de Hoge Raad in cassatie vast dat artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 voorschrijft dat de fiscale eenheid moet worden aangemerkt vanaf het moment van nauwe verwevenheid, ongeacht het moment van het verzoek of de beschikking.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en de beschikking van de Inspecteur, wijzigde het ingangstijdstip naar 1 september 1999 en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee werd de rechtszekerheid van belanghebbenden gewaarborgd en werd bevestigd dat het tijdstip van verzoek of beschikking niet bepalend is voor het fiscale eenheidstijdstip.
Uitkomst: Het ingangstijdstip van de fiscale eenheid wordt vastgesteld op 1 september 1999 en eerdere besluiten worden vernietigd.