Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 3 november 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en na vermeerdering van eis bij conclusie van repliek gevorderd bij vonnis, voor zover geoorloofd mede ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om terstond alle medewerking te verlenen aan de uitvoering van de tussen partijen op 29 september 1999 totstandgekomen overeenkomst van koop en verkoop van de in het petitum van de dagvaarding vermelde onroerende zaken tegen de ontvangst van een koopsom van ƒ 2,4 miljoen door [verweerder] aan [eiser] tegen kwijting op het moment van levering te betalen, kosten, de makelaarscourtage daarin begrepen, koper, en voorts te bepalen dat deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een notariële akte en in de plaats treedt van een deel van de tot levering van de ten processe bedoelde onroerende zaken bestemde notariële akte, subsidiair voor recht te verklaren dat [eiser] gehouden is de schade te vergoeden die [verweerder] heeft geleden ten gevolge van de niet behoorlijke en tijdige nakoming van de koopovereenkomst met betrekking tot voormelde panden en [eiser] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, zo nodig nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[Eiser] heeft zich niet tegen de vermeerdering van eis verzet en de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 maart 2000 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 13 december 2000 [eiser] tot bewijslevering toegelaten.
Na enquête heeft [verweerder] wederom zijn eis gewijzigd en naast het reeds gevorderde - kort gezegd - veroordeling van [eiser] gevorderd tot afdracht van de vruchten en inkomsten die hij heeft genoten uit voormelde onroerende goederen vanaf 1 november 1999 tot aan de datum van feitelijke levering aan [verweerder], vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat die vruchten en inkomsten voor [eiser] opeisbaar werden tot aan de dag van voldoening, na aftrek van kosten, waaronder de renovatiekosten, die [eiser] redelijkerwijs heeft moeten maken om deze huuropbrengsten te realiseren en na aftrek van kosten tot onderhoud en behoud van de onroerende zaken, dan wel, subsidiair, indien voorgaande verzochte veroordeling rechtens niet zal kunnen worden toegewezen of vastgesteld een bedrag ter vervangende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[Eiser] heeft verzocht [verweerder] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn laatstvermelde wijziging van eis.
Bij eindvonnis van 9 januari 2002 heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld aan [verweerder] de schade te vergoeden, die [verweerder] heeft geleden (of zal lijden) ten gevolge van de ten processe bedoelde wanprestatie van [eiser] onder de ten processe bedoelde (ver)koopovereenkomst met [verweerder] van 29 september 1999, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 13 december 2000 en 9 januari 2002 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft [eiser] een akte van rectificatie van eis genomen. [Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij zijn eis gewijzigd en onder meer meer subsidiair gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] bij wijze van vervangende schadevergoeding van een geldbedrag van € 829.510,--.
Bij tussenarrest van 8 januari 2004 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [verweerder] en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
[Eiser] heeft bij brief van 2 april 2004 het hof verzocht tussentijds cassatieberoep tegen het arrest van 8 januari 2004 open te stellen. Bij brief van 5 april 2004 heeft [verweerder] op dat verzoek gereageerd.