ECLI:NL:PHR:2005:AT5156
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijslastverdeling bij ontbindende voorwaarde in koopovereenkomst vastgoed
In deze zaak stond centraal wie de bewijslast draagt voor het bestaan van een ontbindende voorwaarde in een koopovereenkomst van vastgoed. Partijen waren het oneens over de vraag of op 29 september 1999 een onvoorwaardelijke koopovereenkomst was gesloten of dat een ontbindende voorwaarde was overeengekomen.
De feiten betroffen een koopovereenkomst tussen ervaren vastgoedbeleggers over twee kantoorpanden. De koper stelde dat de overeenkomst onvoorwaardelijk was, terwijl de verkoper zich op een ontbindende voorwaarde beriep, namelijk de goedkeuring door een beherend makelaar. De rechtbank legde de bewijslast bij de verkoper, die dit niet kon bewijzen, en veroordeelde hem tot schadevergoeding.
Het hof bevestigde deze bewijslastverdeling en wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad overwoog dat de hoofdregel van bewijslastverdeling inhoudt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van feiten deze feiten moet bewijzen. Bij een ontbindende voorwaarde rust de bewijslast op degene die zich op die voorwaarde beroept, omdat het een bevrijdend verweer betreft.
De Hoge Raad concludeerde dat de bewijslast voor het bestaan van een ontbindende voorwaarde bij de partij ligt die zich daarop beroept en verwierp het cassatieberoep. De uitspraak verduidelijkt de bewijslastverdeling bij voorwaardelijke overeenkomsten in het Nederlandse recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewijslast voor het bestaan van een ontbindende voorwaarde ligt bij de partij die zich daarop beroept.