ECLI:NL:HR:2005:AT5158

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/192HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Invorderingswet 1990Art. 35 Invorderingswet 1990Art. 16 Wet financiering volksverzekeringenArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid op grond van Invorderingswet 1990 voor naheffingsaanslagen

In deze zaak vorderde de ontvanger van de Belastingdienst dat eiseres aansprakelijk werd gesteld voor naheffingsaanslagen, primair op grond van artikel 34 van Pro de Invorderingswet 1990. Eiseres bestreed deze vordering. De rechtbank wees de vordering toe en het gerechtshof bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep.

Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiseres en veroordeelde haar in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee bleef de aansprakelijkheid van eiseres voor de naheffingsaanslagen onverminderd van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en haar aansprakelijkheid voor de naheffingsaanslagen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

9 september 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/192HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/NOORD HOLLAND, KANTOOR HOORN, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Hoorn,
kantoorhoudende te Hoorn,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 22 september 2000 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [eiseres] primair op grond van art. 34 van Pro de Invorderingswet 1990 (hierna Iw), subsidiair op grond van art. 35 Iw Pro aansprakelijk is voor de onder 1 van de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde naheffingaanslagen, voor zover zij daarvoor bij beschikking van 16 juni 2000 aansprakelijk is gesteld, verhoogd met invorderingsrente vanaf 31 maart 1998 tot de dag der algehele voldoening.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
Bij conclusie van repliek heeft de Ontvanger de subsidiaire grondslag van zijn eis, de aansprakelijkheid op grond van art. 35 Iw Pro, ingetrokken.
De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 2002 de vordering van de Ontvanger toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 18 december 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.