ECLI:NL:HR:2005:AT5482

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40724
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:25 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:56 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vermindering boete omzetbelasting na beroep en wijst cassatie af

Belanghebbende is over het jaar 2000 een naheffingsaanslag en een boete opgelegd wegens niet betalen. Na bezwaar is de boete verminderd van ƒ 59.539 tot € 20.000. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat de boete verder verminderde tot ƒ 17.500 en de uitspraak van de inspecteur vernietigde.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het hofarrest. Een van de klachten betrof het niet persoonlijk kunnen toelichten van het standpunt door belanghebbende, omdat de gemachtigde tijdens de zitting op vakantie was en niet verscheen. De Hoge Raad oordeelde dat de kennisgeving van verhindering geen verzoek om uitstel was en dat het hof deze terecht niet als zodanig heeft aangemerkt.

De overige klachten konden ook niet leiden tot cassatie, mede vanwege het ontbreken van rechtsvragen die beantwoording behoefden. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 13 mei 2005 door raadsheren Van Vliet, Lourens en Punt.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de door het hof verminderde boete.

Uitspraak

Nr. 40.724
13 mei 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X v.o.f. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 februari 2004, nr. 02/06428, betreffende na te melden boetebeschikking.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 gelijktijdig met de vaststelling van een naheffingsaanslag in de omzetbelasting een boete van ƒ 59.539 wegens niet betalen opgelegd, welke boete, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot € 20.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en, naar de Hoge Raad verstaat, de boete verminderd tot ƒ 17.500. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Blijkens de bestreden uitspraak heeft het Hof de onderhavige zaak mondeling behandeld op een zitting die is gehouden op 20 augustus 2003. In die uitspraak is vermeld dat de gemachtigde van belanghebbende met voorafgaand bericht aan het Hof, niet is verschenen. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad zijn standpunt persoonlijk toe te lichten, omdat de zitting van het Hof heeft plaatsgevonden tijdens de vakantie van zijn gemachtigde.
3.2. Het Hof heeft de kennisgeving van verhindering van de gemachtigde van belanghebbende niet aangemerkt als een verzoek om uitstel. 's Hofs uitleg van deze brief is feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd. De klachten falen derhalve in zoverre.
3.3. Voor het overige kunnen de klachten evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2005.