ECLI:NL:HR:2005:AT5573
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen vader en kind na hoger beroep
De zaak betreft een verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met zijn zoon, geboren in 1999 uit zijn relatie met de moeder. De rechtbank wees het verzoek in eerste aanleg af. Na hoger beroep stelde het gerechtshof proefcontacten onder begeleiding van de raad voor de kinderbescherming vast, gevolgd door een omgangsregeling via een omgangshuis.
De moeder stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest dat de omgangsregeling vaststelde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering.
De uitspraak bevestigt de omgangsregeling zoals door het hof bepaald, waarbij de vader na een begeleidingsperiode eenmaal per twee weken contact heeft met zijn zoon, eerst via het PRO-project en daarna thuis op zaterdag.
De Hoge Raad benadrukte dat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken, waardoor het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest dat de omgangsregeling vaststelt.