ECLI:NL:HR:2005:AT5934
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens niet-klagen over schending art. 359 lid 7 oud Sv
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet en overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad nam kennis van het cassatiemiddel en het schriftelijk commentaar van de raadsman. Het middel klaagde niet over de schending van artikel 359, zevende lid, van het oude Wetboek van Strafvordering, waardoor het middel niet tot cassatie kon leiden. De Hoge Raad oordeelde dat er geen ambtshalve gronden waren om het arrest te vernietigen.
Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de waarnemend griffier aanwezig was.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.