ECLI:NL:HR:2005:AT5934

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03089/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 359 Sv (oud)Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-klagen over schending art. 359 lid 7 oud Sv

De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet en overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad nam kennis van het cassatiemiddel en het schriftelijk commentaar van de raadsman. Het middel klaagde niet over de schending van artikel 359, zevende lid, van het oude Wetboek van Strafvordering, waardoor het middel niet tot cassatie kon leiden. De Hoge Raad oordeelde dat er geen ambtshalve gronden waren om het arrest te vernietigen.

Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de waarnemend griffier aanwezig was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

13 september 2005
Strafkamer
nr. 03089/04
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 30 januari 2004, nummer 24/001043-03 en 24/001040-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van twee vonnissen van de Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 17 april 2003 - de verdachte ter zake van (zaak A) "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, (oud) van de Opiumwet gegeven verbod" en (zaak B) "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
Het middel dat niet klaagt over schending van art. 359, zevende lid (oud), Sv kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 13 september 2005.