ECLI:NL:PHR:2005:AT5934
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging voor autorijden ondanks rijontzegging en hennepkwekerij
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk telen van 58 hennepplanten en het besturen van een auto terwijl hem de rijbevoegdheid was ontzegd. Verdachte voerde onder meer aan dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet liep gedurende zijn detentie en dat zijn broer als getuige over de inleverdatum van het rijbewijs gehoord moest worden.
Het hof verwierp dit verzoek en oordeelde dat de ontzegging op 11 april 2002 liep, ongeacht detentie of voortvluchtigheid, conform artikel 180, zevende lid, Wegenverkeerswet 1994. De broer werd niet gehoord omdat dit geen relevant bewijs zou opleveren. Verdachte erkende dat hij wist dat hij niet mocht rijden en dat hij op 11 april 2002 toch een auto bestuurde.
De Hoge Raad concludeert dat het middel van cassatie ondeugdelijk is omdat het geen schending van artikel 359, zevende lid, oud Sv bevat en dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek tot het horen van de broer werd afgewezen. Ook het motiveringsgebrek in de strafoplegging leidt niet tot ambtshalve cassatie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van zes weken voor het telen van hennep en rijden ondanks rijontzegging.