ECLI:NL:HR:2005:AT5936
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping beroep op art. 42 Sr bij medeplegen bedrieglijke bankbreuk door advocaat
De verdachte, een advocaat, werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van bedrieglijke bankbreuk in de periode van januari 1999 tot januari 2001. Hij zou samen met zijn mededader gelden buiten het faillissement van die mededader hebben gehouden en verzwegen voor de curator.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat de verdachte handelde in overeenstemming met de Boekhoudverordening 1998, die voorschrijft hoe derdengelden beheerd moeten worden, en dat dit een wettelijk voorschrift is in de zin van art. 42 Sr Pro waardoor strafbaarheid ontbreekt. De Hoge Raad oordeelde echter dat de verplichtingen uit de Boekhoudverordening niets te maken hebben met het buiten het faillissement houden van gelden, zoals in deze zaak aan de orde was.
Het hof had terecht geoordeeld dat de faillissementswetgeving prevaleert en dat de verdachte zich bewust moest zijn van de onrechtmatigheid van het handelen. Het beroep op art. 42 Sr Pro faalt daarom. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.