ECLI:NL:HR:2005:AT6024

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/043HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vordering Belastingdienst tegen eiser tot betaling belastingbedrag

In deze zaak vorderde de Belastingdienst via de rechtbank Arnhem betaling van een bedrag van ƒ 174.835,- vermeerderd met invorderingsrente van eiser. De rechtbank wees de vordering toe. Eiser ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem, dat het bedrag matigde tot € 71.390,97 en het vonnis voor het overige bekrachtigde.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen, waarbij is geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van vice-president J.B. Fleers.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Arnhem.

Uitspraak

10 juni 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/043HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. Z.B. Gyömörei,
t e g e n
DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Arnhem,
gevestigd te Arnhem,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 21 december 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 174.835,--, te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf 15 november 1999, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 30 november 2000 de vordering van de Ontvanger toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 28 oktober 2003 heeft het hof [eiser] veroordeeld aan de Ontvanger te betalen een bedrag van € 71.390,97, het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. F. Damsteegt, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 24 maart 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 2.211,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 juni 2005.