ECLI:NL:HR:2005:AT7344
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken bewijsmiddelen
De Rechtbank te Amsterdam had de aanvrager veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf wegens medeplegen van verduistering gepleegd door iemand die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. De aanvrager verzocht de Hoge Raad om herziening van dit vonnis, waarbij hij nieuwe omstandigheden aanvoerde.
De Hoge Raad oordeelde dat herziening slechts mogelijk is op grond van nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het eerdere onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek anders zou zijn verlopen, bijvoorbeeld tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.
In deze zaak bevatte de aanvrage echter geen opgave van bewijsmiddelen die de nieuwe omstandigheden konden staven. Hierdoor kon het verzoek niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad de aanvrage niet-ontvankelijk.
Deze beslissing werd genomen door de vice-president Koster als voorzitter en de raadsheren Corstens en Ilsink, en uitgesproken op 31 mei 2005.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bewijsmiddelen.