Met een op 3 september 1999 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat met ingang van 1 augustus 1999 een einde is gekomen aan de alimentatieverplichting van de man, subsidiair de termijn te bepalen gedurende welke hij nog verplicht is deze alimentatie te voldoen en of die termijn kan worden verlengd.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en harerzijds in reconventie verzocht de tussen partijen door de rechtbank te 's-Gravenhage gegeven voorlopige beschikking van 4 december 1992 in dier voege te wijzigen dat de rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 1 februari 1993, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 10.000,-- per maand, althans ƒ 5.000,-- per maand, althans op een hoger bedrag dan ƒ 3.000,-- per maand.
De rechtbank heeft het verzoek van de man behandeld ter zitting van 5 september 2000 en vervolgens bij beschikking van 26 september 2000 (a) bepaald dat de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd met ingang van 17 juli 2004, (b) bepaald dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan mogelijk is, (c) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van de verlengingstermijn en (d) het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man tot 1 augustus 2019 alimentatie dient te voldoen.
Bij beschikking van 13 juni 2001 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Na behandeling van het verzoek van de vrouw op 7 november 2000 heeft de rechtbank bij beschikking van 12 december 2000 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek voor zover dit (een verlenging van) haar vermeerderde alimentatieverzoek betreft, zoals door haar gedaan ter terechtzitting van 22 september 1999. Voorts heeft de rechtbank de bij voornoemde beschikking van 4 december 1992 vastgestelde voorlopige alimentatie van ƒ 3.000,-- per maand met terugwerkende kracht definitief vastgesteld, en is het verzoek van de vrouw, voor zover het een "nieuw" verzoek betreft afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 13 augustus 2003 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
Laatstgenoemde beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.