ECLI:NL:HR:2005:AT7492

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/133HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging en verlenging alimentatieverplichting man na echtscheiding

De zaak betreft een geschil over de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw na hun echtscheiding. De man verzocht de rechtbank om de alimentatieverplichting met ingang van 1 augustus 1999 te beëindigen of de termijn daarvan te bepalen en eventueel te verlengen. De vrouw bestreed dit en vorderde een hogere alimentatiebijdrage vanaf 1993.

De rechtbank bepaalde dat de alimentatieverplichting eindigt op 17 juli 2004 en stelde een mogelijke verlenging na die datum open, maar verklaarde het verzoek tot verlenging niet-ontvankelijk. De vrouw stelde hoger beroep in, maar het gerechtshof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Ook haar verzoek tot verhoging van de alimentatie werd afgewezen.

De vrouw stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, waarmee de eerdere beslissingen in stand bleven.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de alimentatieverplichting per 17 juli 2004 zonder verlenging.

Uitspraak

24 juni 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/133HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.M. Schutte.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 3 september 1999 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat met ingang van 1 augustus 1999 een einde is gekomen aan de alimentatieverplichting van de man, subsidiair de termijn te bepalen gedurende welke hij nog verplicht is deze alimentatie te voldoen en of die termijn kan worden verlengd.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en harerzijds in reconventie verzocht de tussen partijen door de rechtbank te 's-Gravenhage gegeven voorlopige beschikking van 4 december 1992 in dier voege te wijzigen dat de rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 1 februari 1993, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 10.000,-- per maand, althans ƒ 5.000,-- per maand, althans op een hoger bedrag dan ƒ 3.000,-- per maand.
De rechtbank heeft het verzoek van de man behandeld ter zitting van 5 september 2000 en vervolgens bij beschikking van 26 september 2000 (a) bepaald dat de alimentatieverplichting van de man wordt beëindigd met ingang van 17 juli 2004, (b) bepaald dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan mogelijk is, (c) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van de verlengingstermijn en (d) het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man tot 1 augustus 2019 alimentatie dient te voldoen.
Bij beschikking van 13 juni 2001 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Na behandeling van het verzoek van de vrouw op 7 november 2000 heeft de rechtbank bij beschikking van 12 december 2000 de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek voor zover dit (een verlenging van) haar vermeerderde alimentatieverzoek betreft, zoals door haar gedaan ter terechtzitting van 22 september 1999. Voorts heeft de rechtbank de bij voornoemde beschikking van 4 december 1992 vastgestelde voorlopige alimentatie van ƒ 3.000,-- per maand met terugwerkende kracht definitief vastgesteld, en is het verzoek van de vrouw, voor zover het een "nieuw" verzoek betreft afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 13 augustus 2003 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
Laatstgenoemde beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.