ECLI:NL:HR:2005:AU1672
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Cassatie over toepassing Wet taakstraffen en strafoplegging bij medeplegen en deelname criminele organisatie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van opzetheling. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uren, subsidiair vier maanden hechtenis.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat onvoldoende bewijs bestond voor deelname aan een criminele organisatie. Dit middel faalde, evenals andere middelen, die geen aanleiding gaven tot cassatie. De Hoge Raad oordeelde tevens dat het hof bij de strafoplegging toepassing had moeten geven aan de Wet taakstraffen (art. 22c en 22d Sr) die op 1 februari 2001 in werking trad, omdat de dagvaarding die tot de veroordeling leidde na die datum was betekend.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de strafoplegging mede berust op de nieuwe wettelijke bepalingen. De zaak illustreert de toepassing van overgangsrecht bij wetswijzigingen en bevestigt het bewijsrecht en de strafoplegging bij medeplegen en deelname aan een criminele organisatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafoplegging van het hof wordt bevestigd met toepassing van de Wet taakstraffen.