ECLI:NL:HR:2005:AU2407

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/228HR (1415)
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onteigening en vergoeding bedrijfsverplaatsing bij onteigeningsgevolg

Eiseres, huurster van een gedeelte van een te onteigenen perceel, vorderde vergoeding van de Staat voor de verplaatsing van haar gehele bedrijf als gevolg van onteigening. De rechtbank Haarlem sprak vervroegd de onteigening uit en stelde een voorschot op schadeloosstelling vast. Na deskundigenonderzoek bepaalde de rechtbank de schadeloosstelling definitief en veroordeelde de Staat tot betaling van het restantbedrag met rente en kosten.

Eiseres stelde beroep in cassatie in tegen het eindvonnis van de rechtbank, stellende dat de vergoeding voor de bedrijfsverplaatsing onjuist was vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Het arrest bevestigt de beslissing van de rechtbank en veroordeelt eiseres in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee is de schadeloosstelling voor de onteigening en de vergoeding van het onteigeningsgevolg van bedrijfsverplaatsing definitief vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

25 november 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/228HR (1415)
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. C.S.G. Janssens,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Ter terechtzitting van de rechtbank te Haarlem van 26 september 2000 heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - een incidentele conclusie tot tussenkomst genomen en daarbij verzocht haar, in haar hoedanigheid van huurster van een gedeelte van het te onteigenen perceel, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer sectie [A], nr. [001], als tussenkomende partij toe te laten tot het geding tot onteigening tussen verweerder in cassatie - hierna te noemen: de Staat - en de eigenares van de te onteigenen onroerende zaak, de Stichting Pensioenfonds Productschappen, bekend onder rolnummer 68503/HA ZA 00-1192.
Bij vonnis van 21 november 2000 heeft de rechtbank - voor zover in cassatie van belang - in het incident [eiseres] toegelaten als tussenkomende partij in de hoofdzaak, vervroegd de onteigening ten name van de Staat uitgesproken en het door de Staat als onteigenende partij te betalen voorschot op de schadeloosstelling van [eiseres] bepaald op een bedrag van ƒ 356.792,--. De rechtbank heeft voorts een deskundigenonderzoek gelast ter begroting van de schadeloosstelling voor [eiseres] en daartoe drie deskundigen benoemd.
Na een plaatsopneming op 9 januari 2001 hebben de deskundigen op 25 november 2003 een conceptrapport uitgebracht. Nadat [eiseres] de deskundigen bij brief van 11 februari 2004 opmerkingen had doen toekomen, hebben de deskundigen op 24 maart 2004 hun definitieve rapport ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.
Op 22 april 2004 hebben de Staat en [eiseres] hun zaak doen bepleiten. Hierna heeft de rechtbank bij vonnis van 19 mei 2004 de schadeloosstelling voor [eiseres] bepaald op € 161.999,54, de Staat veroordeeld aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 94,39, zijnde het bedrag dat van de schadeloosstelling resteert na aftrek va het door de Staat reeds betaalde voorschot van € 161.905,15, te vermeerderen met rente en kosten.
Het eindvonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
[Eiseres] heeft tegen het eindvonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 22 september 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 november 2005.