ECLI:NL:HR:2005:AU3425

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00133/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 250a SrArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 14 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeneming slachtoffer prostitutie onder valse voorwendsels

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van het aanwerven en medenemen van een persoon met het oogmerk haar in een ander land tot prostitutie te dwingen, zoals bedoeld in art. 250a Sr (oud). Het slachtoffer was onder valse voorwendsels vanuit Griekenland naar Nederland gelokt en daar gedwongen tot prostitutie.

Het hof Arnhem had verdachte veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf en daarbij het bewijs gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer en getuigen, waaronder dat het slachtoffer per vliegtuig alleen was gereisd, maar door verdachte en mededaders op het vliegveld was opgevangen en naar een café in Arnhem gebracht. De verdediging stelde dat het bewijs onvoldoende was voor medeneming, omdat het slachtoffer alleen had gereisd.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat het feit dat het slachtoffer alleen per vliegtuig reisde niet uitsloot dat zij door verdachte en mededaders was medegenomen in de zin van art. 250a Sr. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof, mede gelet op de doelstelling van de wet om slachtoffers van prostitutie te beschermen.

Het arrest werd gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 20 december 2005, waarbij de middelen van cassatie werden verworpen en het beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot dertig maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van medeneming van een slachtoffer met het oogmerk prostitutie.

Uitspraak

20 december 2005
Strafkamer
nr. 00133/05
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 juni 2004, nummer 21/003153-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 30 juni 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 3 primair en 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "het medeplegen van een persoon aanwerven en medenemen met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling" en 3. subsidiair "het medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel behelst onder meer de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde 'medenemen' niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Onder 2 heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van januari 2002 tot en met 30 maart 2002 te Arnhem en/of Griekenland tezamen en in vereniging met anderen, één persoon, genaamd [het slachtoffer], heeft aangeworven, en mede genomen met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling."
3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen is het slachtoffer door de verdachte en zijn mededaders onder valse voorwendsels naar Nederland gelokt en daar gedwongen om in de prostitutie te werken. In maart 2002 is het slachtoffer per vliegtuig vanuit Griekenland naar Nederland gereisd. Haar ticket is door een mededader betaald, terwijl het slachtoffer in Nederland door de verdachte en een mededader van het vliegveld naar een café in Arnhem is gebracht.
3.4. Tot het bewijs zijn onder meer gebezigd:
a. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als de verklaring van [het slachtoffer] (bewijsmiddel 3):
"Ik ben in maart 2002 vanuit Griekenland naar Nederland gegaan. Een meisje die ik heb ontmoet, [betrokkene 1] genaamd, zei dat er goed betaald werk in Nederland was. Ik reisde alleen van Athene met het vliegtuig naar Nederland. Het ticket is door het meisje betaald. Ik werd op het vliegveld afgehaald door [betrokkene 1] en een Albanese jongen. Ik kwam erachter dat zij mij wilden verkopen en dat ik in de prostitutie moest gaan werken."
b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 12] (bewijsmiddel 7):
"Voor zover ik weet is [het slachtoffer] samen met verdachte naar Nederland gekomen."
3.5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat, ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat het slachtoffer alleen per vliegtuig van Griekenland naar Nederland is gereisd, zulks er niet aan in de weg staat om aan te nemen dat zij door de verdachte en zijn mededaders is "medegenomen" in de zin van art. 250a (oud) Sr. Gelet op de hiervoor onder 3.3 weergegeven gang van zaken en tegen de achtergrond van doel en strekking van die bepaling, zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
3.6. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3.7. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 december 2005.