ECLI:NL:HR:2005:AU3949
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte werd veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en een geldboete. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot strafvermindering.
Daarnaast is er een geschil over het aanwezigheidsrecht van de verdachte en diens raadsman. Het hof had een verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen omdat niet aannemelijk was dat de verdachte of zijn raadsman verhinderd waren. De Hoge Raad vindt het oordeel van het hof over de afwezigheid van de raadsman niet begrijpelijk, maar acht dit niet cassatiegrond omdat het hof andere, zelfstandige gronden had voor afwijzing.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot 29 maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 20 december 2005.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 29 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep op aanhouding wordt afgewezen.