ECLI:NL:HR:2005:AU4301
Hoge Raad
- Cassatie
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Betaling ter finale kwijting en toepassing artikel 45 lid 1 Wet IB 1964
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 25.669. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
In geschil was of een betaling van ƒ 132.500, gedaan ter finale kwijting van een eerdere veroordeling tot betaling van ƒ 142.090 plus wettelijke rente, kon worden aangemerkt als een persoonlijke verplichting in de zin van artikel 45 lid 1 aanhef Pro en letter f Wet IB 1964. Het Hof oordeelde dat de betaling uitsluitend strekte tot kwijting van de hoofdsom en niet de rente omvatte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, stellende dat belanghebbende en de leverancier een overeenkomst hadden gesloten met die strekking. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat artikel 6:44 BW Pro niet relevant was voor de beslechting van het geschil.
De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en sprak het arrest uit op 14 oktober 2005.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de betaling van ƒ 132.500 betreft uitsluitend de hoofdsom en niet de rente als persoonlijke verplichting.