ECLI:NL:HR:2005:AU5715

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/267HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurgeschil over betaling huurpenningen voor inventaris bedrijfsruimte en bedrijfswoning

Eiser heeft verweerder gedagvaard voor betaling van huurpenningen voor de inventaris van een bedrijfsruimte met café en een bedrijfswoning. De vorderingen betroffen meerdere bedragen, vermeerderd met wettelijke rente. Verweerder stelde tegenvorderingen in wegens huurindexering, huurpenningen voor de inventaris en het niet ter beschikking stellen van de inventaris.

Na diverse tussenvonnissen en een deskundigenbericht over de daadwerkelijk betaalde huurpenningen, heeft de kantonrechter bij eindvonnis partijen deels in het gelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen met rente. Beide partijen gingen in hoger beroep, waarbij verweerder niet verscheen. De rechtbank bekrachtigde de vonnissen en verklaarde eiser niet-ontvankelijk in hoger beroep voor enkele vonnissen.

Eiser stelde beroep in cassatie tegen het vonnis van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep. De Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de eerdere vonnissen in het huurgeschil.

Uitspraak

25 november 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/267HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. W.B. Teunis,
thans mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 3 augustus 1993 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de kantonrechter te Boxmeer en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 14.248,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 1992. Nadien heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiser] primair van een bedrag van ƒ 20.115,-- aan onverschuldigde huur, subsidiair van een bedrag van ƒ 19.495,-- en meer subsidiair van een bedrag van ƒ 18.395,--, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling aan hem van (a) een nader te berekenen bedrag wegens huurindexering, (b) een bedrag van ƒ 23.396,50 ter zake van huurpenningen voor de inventaris en (c) een bedrag van ƒ 125.000,-- wegens het niet ter beschikking stellen van de gehuurde inventaris ten tijde van het einde van de huurovereenkomst, alles vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.
[Eiser] heeft de vorderingen in reconventie bestreden.
Na twee tussenvonnissen van 6 september 1994 en 19 november 1996 heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 18 februari 1997 in conventie een deskundigenbericht gelast naar de vraag welke bedrag aan huurpenningen door [eiser] in de periode tussen 1 januari 1988 en 8 februari 1991 daadwerkelijk aan [verweerder] is afgedragen, en daartoe een deskundige benoemd.
De kantonrechter heeft na een tussenvonnis van 3 juni 1997, na deskundigenbericht, na op 5 oktober 1999 gehouden enquête en contra-enquête en na tussenvonnis van 19 december 2000 bij eindvonnis van 5 juni 2001 in conventie [verweerder] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 18.395,-- met de wettelijke rente vanaf 15 december 1992 en in reconventie [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 15.911 met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 1993 tot op de dag der algehele voldoening en zowel in conventie als in reconventie [verweerder] in de gedingkosten aan de zijde van [eiser] veroordeeld, het meer of anders gevorderde afgewezen en deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen de vonnissen van de kantonrechter van 6 september 1994, 19 november 1996, 18 februari 1997, 3 juni 1997, 19 december 2000 en 5 juni 2001 heeft [eiser] in reconventie hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch. [Verweerder] is in appel niet verschenen.
Bij vonnis van 2 juni 2004 heeft de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter van 6 september 1994, 18 februari 1997 en 3 juni 1997, de vonnissen waarvan beroep van 19 november 1996, 19 december 2000 en 5 juni 2001, voor zover aan haar oordeel onderworpen, bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 november 2005.