Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 3 augustus 1993 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de kantonrechter te Boxmeer en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 14.248,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 1992. Nadien heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiser] primair van een bedrag van ƒ 20.115,-- aan onverschuldigde huur, subsidiair van een bedrag van ƒ 19.495,-- en meer subsidiair van een bedrag van ƒ 18.395,--, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling aan hem van (a) een nader te berekenen bedrag wegens huurindexering, (b) een bedrag van ƒ 23.396,50 ter zake van huurpenningen voor de inventaris en (c) een bedrag van ƒ 125.000,-- wegens het niet ter beschikking stellen van de gehuurde inventaris ten tijde van het einde van de huurovereenkomst, alles vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.
[Eiser] heeft de vorderingen in reconventie bestreden.
Na twee tussenvonnissen van 6 september 1994 en 19 november 1996 heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 18 februari 1997 in conventie een deskundigenbericht gelast naar de vraag welke bedrag aan huurpenningen door [eiser] in de periode tussen 1 januari 1988 en 8 februari 1991 daadwerkelijk aan [verweerder] is afgedragen, en daartoe een deskundige benoemd.
De kantonrechter heeft na een tussenvonnis van 3 juni 1997, na deskundigenbericht, na op 5 oktober 1999 gehouden enquête en contra-enquête en na tussenvonnis van 19 december 2000 bij eindvonnis van 5 juni 2001 in conventie [verweerder] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 18.395,-- met de wettelijke rente vanaf 15 december 1992 en in reconventie [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 15.911 met de wettelijke rente daarover vanaf 2 november 1993 tot op de dag der algehele voldoening en zowel in conventie als in reconventie [verweerder] in de gedingkosten aan de zijde van [eiser] veroordeeld, het meer of anders gevorderde afgewezen en deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen de vonnissen van de kantonrechter van 6 september 1994, 19 november 1996, 18 februari 1997, 3 juni 1997, 19 december 2000 en 5 juni 2001 heeft [eiser] in reconventie hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch. [Verweerder] is in appel niet verschenen.
Bij vonnis van 2 juni 2004 heeft de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter van 6 september 1994, 18 februari 1997 en 3 juni 1997, de vonnissen waarvan beroep van 19 november 1996, 19 december 2000 en 5 juni 2001, voor zover aan haar oordeel onderworpen, bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.