ECLI:NL:HR:2005:AU6450
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over vrijstelling omzetbelasting bij uitbesteding vermogensbeheer door beleggingsfonds
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode van augustus 1992 tot en met december 1995, inclusief een bedrag van ƒ 111.441 aan enkelvoudige belasting. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslag. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de vraag of de door belanghebbende verrichte werkzaamheden, bestaande uit het beheer van beleggingsfondsen namens B, onder de vrijstelling van omzetbelasting vallen zoals bedoeld in artikel 11 lid 1 sub i van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, in verbinding met artikel 13 B d van de Zesde richtlijn. Het Hof oordeelde dat belanghebbende zelfstandig en met beoordelingsvrijheid handelde en dat de vrijstelling van toepassing is, ongeacht of de dienst wordt verricht door degene die een rechtsbetrekking met de fondsdeelnemers onderhoudt.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van deze vrijstelling: of deze afhankelijk is van de aard van de dienst alleen, of ook van de rechtsbetrekking tussen dienstverlener en fondsdeelnemers, en of de hoedanigheid van directeur van de dienstverlener invloed heeft op de toepassing van de vrijstelling. De procedure is geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van de vrijstelling omzetbelasting bij vermogensbeheer.