ECLI:NL:HR:2005:AU7361
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over aftrek voorbelasting op advieskosten voorafgaand aan ondernemerschap
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1996 vanwege het ten onrechte aftrekken van omzetbelasting op advieskosten die verband hielden met een arbitrageprocedure over een vergoeding uit een aandelenoverdracht. De Inspecteur handhaafde de aanslag, maar het Hof Amsterdam verminderde deze aanzienlijk omdat het oordeelde dat de advieskosten niet direct en onmiddellijk verband hielden met de onderneming van belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigde dat de verkoop van aandelen geen economische activiteit is in de zin van de Zesde richtlijn en dat het Hof terecht oordeelde dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat indien de kosten betrekking hebben op een periode waarin belanghebbende nog geen ondernemer was. Tegelijkertijd stelde de Hoge Raad vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn, met name of aftrek mogelijk is als de kosten betrekking hebben op een vordering die deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen, maar is ontstaan vóór het ondernemerschap.
De Hoge Raad schorst de procedure totdat het Hof van Justitie uitspraak doet, waarmee wordt beoogd duidelijkheid te verkrijgen over het fundamentele beginsel van fiscale neutraliteit en de voorwaarden waaronder voorbelasting op kosten voorafgaand aan het ondernemerschap kan worden afgetrokken.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over het recht op aftrek van voorbelasting op advieskosten gemaakt vóór het ondernemerschap.